Een puist vol zelfmedelijden

BELGIRATE Wat ik me van de mensen zal herinneren zijn hun klachten.

Eerst klagen je ouders over je, dan je Ieraren, vervolgens je bazen, en ten slotte je minnaressen, vrouwen op wie je in een grijs verleden verliefd bent geworden en die aan die zwakheid het recht ontlenen je aan te klagen.

Blind voor wat er is; maar wat er niet is, dat kunnen ze haarfijn opsommen en exact benoemen. Alsof jij verantwoordelijk bent voor de illusies, leugens mag ik wel zeggen, die over dit leven de ronde doen. Alsof jij in hoogst eigen persoon ervoor hebt gezorgd dat het niet-bestaande niet bestaat.

Niet dat ik denk dat ik God ben, het is mijn omgeving die telkens weer de verdenking koestert dat ik deze wereld met al zijn onhebbelijkheden en tekortkomingen heb ingericht.

AI op mijn derde kreeg ik te horen dat ik de spijker in mijn moeders doodkist zou zijn.

Met zekerheid kan ik nu zeggen dat ik dat inderdaad ben, spijker in een doodkist. De vraag is alleen, in welke?

Op een mistige avond arriveerde ik in Belgirate aan het Lago Maggiore. De mist die nu alleen nog over het meer hing, zou die avond dichter worden.

Het hotel had veel beloofd, een groot park, een zwembad, rust, twintig man personeel, noem het liefde.

De receptionist, een ietwat opgeblazen heer in een te klein kostuum, had zijn pen al recht vooruit gestoken om mij het inschrijfformulier te laten ondertekenen, terwijl ik nog met mijn koffer en tas door de glazen deur moest.

,,When will your friend arrive?'' vroeg de opgeblazen heer. Hij keek verontrust, Gasten die samen hadden geboekt, hoorden samen te arriveren.

,,Mijn vriend is verhinderd'', zei ik.

Het gezicht van de receptionist verraadde nauwelijks ingehouden woede en met een driftig gebaar streepte hij iets door in het gastenboek. Weer een mens teleurgesteld. Weer een couplet aan de klaagzang toegevoegd.

,,Uitzicht op het meer of de achterkant?''

De achterkant klonk niet zo aanlokkelijk, dus ik zei: ,,Het meer''.

Dit hotel telde 128 kamers. Vannacht was ik hier de enige.

,,Is er een lift?'' vroeg ik.

,,Ik zal hem voor je aanzetten.''

Hij bukte zich steunend en tien meter verderop klonk gerommel alsof een stoommachine in werking werd gezet. Wel eentje die ieder moment kon ontploffen.

In de kamer hing ik mijn kleren op. Dit was de laatste etappe van mijn reis. Alles mocht vies worden.

Toen mijn koffer ontruimd was, ontdekte ik dat ik de oplader van mijn elektrische tandenborstel in mijn hotel in Zürich was vergeten.

Van het verlies van mijn oplader raakte ik in paniek. Ik kreeg er zelfs, gek genoeg, tranen van in mijn ogen. Alsof ik dit door dit verlies heen al het andere verlies kon herkennen.

Nog een uur of vijf, zes zou mijn tandenborstel, volgens de gebruiksaanwijzing, vibreren, daarna zou hij definitief stilvallen. Ik belde het hotel in Zürich en zei: ,,Ik ben de oplader van mijn tandenborstel vergeten, het is een kleinigheid, maar ik zou u dankbaar zijn als u even kunt zoeken.''

In feite een overbodig artikel, de elektrische tandenborstel, maar waar het eigen lichaam niet meer grondig gereinigd wordt, begint de werkelijke waanzin.

Met de belofte dat men in het hotel in Zürich zou zoeken, nam ik geen genoegen. Ik moest en zou meteen een nieuwe hebben. Mijn leven hing er vanaf. Ik ging het dorp in. De mist was zo dicht dat meer en bergen onzichtbaar waren. Het voetpad reikte niet tot het hotel. Vrachtwagens reden rakelings langs mij heen. Een enkeling toeterde driftig. Het drong niet tot me door. In gedachten schreef ik lange en woedende brieven waarin ik de aanklacht ontzenuwde. Waarin ik zelf aanklaagde. Want wie eenmaal begonnen is met aanklagen, verspeelt zijn immuniteit.

Wie poker met mij wilde spelen moest zijn gang maar gaan, maar ik was bereid de inzet iedere keer te verhogen met een gezicht dat geen enkele emotie zou verraden. Zelden verraadt mijn gezicht emoties. Daarvan gruw ik namelijk.

Ze noemen het gevoel en gevoeligheid, maar het is niets dan een puist vol zelfmedelijden, die ieder uur van de dag en de nacht kan openbarsten. En dan denken ze ook nog dat ze begaan zijn met de anderen, de wereld en de sterren.

De uitstoot van eigen verdriet en eigen verdrietjes zorgt voor meer luchtvervuiling dan de uitstoot van de gehele westerse industrie samen. Oh, ik begrijp dat een beetje zelfmedelijden onvermijdelijk is, maar het kan toch ook in het geheim, onder het bed, onder de douche, in een openbaar toilet zolang de deur maar stevig op slot zit.

Een apotheek was nog open in Belgirate, veel meer ook niet. Een bar, een halve supermarkt. De rest was dicht tot eind maart.

Mijn telefoon ging. Verwachtingsvol nam ik op. Misschien het hotel in Zürich, of een ander hotel waar ze een van mijn vermiste voorwerpen hadden gevonden.

Het was een vriendin van vroeger. Schuldeisers zaten achter haar aan. De grond onder haar voeten wankelde. Ze moest een beetje huilen.

Een paar jaar geleden huilde ze om mij, nu om geld. Het maakte ook niet uit waarom werd gehuild, zolang de tranen maar vloeiden. Ik weet het, huilen is lekkerder dan lachen. Minder vrijblijvend ook. Op televisie maakt het veel indruk.

,,Het is geen probleem'', zei ik, ,,ik maak het geld wel over.''

,,Kun je het wel missen?''

,,Ik kan veel missen.''

De apotheker wachtte geduldig tot ik mijn telefoongesprek zou beëindigen.

,,Ik weet niet hoe ik je kan bedanken.''

,,Je hoeft mij niet te bedanken'', zei ik, ,,ik moet jou bedanken. Ik doe het graag en ik houd er nog een goed gevoel aan over ook, dat kun je van veel andere dingen niet zeggen. Maar ik sta hier in een apotheek, ik bel je later terug.''

Ik deed een stap in de richting van de apotheker. ,,Engels?'' vroeg ik.

Hij schudde zijn hoofd, hij ging naar achteren en kwam tevoorschijn met zijn assistente. Of zijn vrouw.

Ze had vriendelijke, aanlokkelijke ogen.

,,Ik zoek een elektrische tandenborstel'', zei ik.

Eerst zei ze ,,nee''. Toen deed ze een greep op de bovenste plank en zette een doos die onder het stof zat op de toonbank. Apotheker en assistente bliezen gezamenlijk het stof van de doos.

Mijn vorige was van het merk Braun, deze was van het merk Waterpik. Ik wist niet of dat een voor- of een achteruitgang betekende.

De assistente legde in haar beste Engels uit waarom deze goed was voor tand en tandvlees. Daarbij keek ze me, meende ik, voortdurend in de ogen en ik keek haar in de ogen. Er gebeurde vast niet veel in de winter in Belgirate. Maar ik kwam in het bezit van de enige elektrische tandenborstel van dat dorp.

In de mist liep ik de berg op, door de nauwe steegjes, naar het station.

Sommige mensen bleven zolang in mijn leven dat ze de illusie wekten hulp nodig te hebben. Wie lang in mijn leven blijft, heeft namelijk hulp nodig. Of is gestoord. Dat ik zo lang in mijn leven ben gebleven moet aan het laatste worden geweten.

Door de mist was het moeilijk te zien waar het kleine station ophield en waar het begon. Uiteindelijk betrad ik de wachtkamer, die bewoond bleek te worden door twee honden.

Ik besloot dapper te zijn, en de dienstregeling te bestuderen. Tijdens het oprukken van de honden verdween mijn dapperheid.

Tot mijn verbazing voelde ik weer tranen in mijn ogen wellen. Dat mocht hier.

Hier waren alleen honden en vellen verduisteringspapier, laatste restanten uit een vergane oorlog.

Zoals de gezagvoerder aankondigt: ,,de vlucht duurt vandaag acht uur en tien minuten'', zo zou het geluk moeten worden aangekondigd.

Je zou er kaartjes van moeten maken:

,,Uw geluk zal acht uur en tien minuten duren. En het mijne ook. Ik wens u een voorspoedige en veilige reis.''