De waarheid is het begin van troost

In de meeste literaire non-fictie doolt een ik-figuur rond in een vreemde streek en doet daarvan op journalistieke, verhalende en informatieve wijze verslag. Geert Maks Hoe God verdween uit Jorwerd en Frank Westermans relaas van het Groninger boerenleven in De Graanrepubliek kunnen ertoe worden gerekend.

Reislustige Vlamingen zoeken het meestal verder van huis. Zowel Dirk Draulans (De mens van morgen) als Lieve Joris (Dans van de luipaard) schreef over Congo. Ook de jonge Vlaamse archeoloog en cultuurhistoricus David van Reybrouck voelt zich aangetrokken tot Afrika; als freelance-journalist voor De Morgen maakte hij enkele reportages over Zuid-Afrika. Zijn debuut De plaag, dat door de uitgever gepresenteerd wordt als `literaire non-fictie' en vorige week genomineerd werd voor de Gouden Uil, speelt zich daar grotendeels af.

De plaag beschrijft de spannende zoektocht naar de waarheid rondom een plagiaat-affaire. Van Reybrouck hoopt er achter te komen of de Belgische Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck met zijn La vie des termites (1926) een werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver Eugène Marais, Die siel van die mier (1925), plagieerde. Hoewel Maeterlinck door meer mensen van plagiaat werd beschuldigd, kwamen bewijzen noch motief boven tafel. De affaire verdween in de doofpot.

Terwijl Van Reybrouck zich verdiept in het verleden en ons informeert over het veelzijdige werk en leven van Marais en Maeterlinck, dringt het heden zich aan hem op. Als academicus leerde hij theoretiseren over historische `waarheid', maar nu hij geconfronteerd wordt met het racisme van het post-apartheidstijdperk in Zuid-Afrika, begint hij steeds meer te twijfelen aan het belang van zijn onderneming. `Waarheid is er geen academische illusie, maar het begin van troost,' schrijft Van Reybrouck over de perikelen rondom de Waarheidscommissie.

Van Reybrouck besluit zijn rol als wetenschapper achter zich te laten, en zijn grenzen als onderzoeker en schrijver te verleggen. Bijvoorbeeld door proefondervindelijk na te gaan wat de aantrekkingskracht was van morfine op de verslaafde Marais. Dat levert een geestig verslag op van een uiterst beschaafde intellectueel die zijn rationaliteit wil laten varen, maar bang blijft voor een overdosis. Bovenal permitteert hij zich als wetenschapper de vrijheid om het verhaal over zijn onderzoek te mengen met reportageachtige stukken over de mensen van het nieuwe Zuid-Afrika.

In de verantwoording geeft Van Reybrouck aan dat `literaire non-fictie' een vage term is waarvan niemand precies weet waar het geplaatst moet worden. Daarin heeft hij natuurlijk gelijk. Is de toevoeging `literair' niet gewoon een truc van uitgevers die denken dat `non-fictie' slechter verkoopt? Het toefje slagroom waarmee `non-fictie' smakelijk wordt opgediend, vergelijkbaar met de `literaire' thriller? Literaire non-fictie klinkt als een contradictio in terminis, alsof je een bijna-roman koopt.

In dit geval lijkt de term echter toepasselijk en zelfs geboren uit noodzaak. Van Reybrouck stuit op interessant materiaal, maar de magere conclusies over de plagiaat-affaire zouden in een wetenschappelijk artikel gereduceerd kunnen worden tot een enkel A4-tje. Met zijn relativerende opmerking over de term `literaire non-fictie' wekt Van Reybrouck echter niet zozeer de indruk te willen reflecteren over de relatie tussen waarheid en verbeelding als het gaat om zijn mislukte onderzoek. Eerder lijkt het alsof hij, beschaafd en bescheiden als hij steeds overkomt, wil voorkomen dat men hem van literaire pretenties zou beschuldigen.

Dat nu, is valse bescheidenheid. Want Van Reybrouck verstaat het behendige, vlotte en soepele `literaire' schrijven uitstekend. Met name zijn voorliefde voor de dierlijke metafoor springt in het oog, zozeer zelfs, dat het soms is alsof we in een roman van Peter Høeg zijn beland. Levensmoëe vrouwen met diepe wallen zijn als `geslachtsloze weekdieren in stofjassen' en een Afrikaanse danser is een `schichtige impala of een hooghartige giraf'. Maeterlinck en Marais worden zelfs met twee typen honden vergeleken, de `geketende schoothond' en de `sierlijke zwerver'.

De belangrijkste metafoor van het boek is de titel: `De plaag'. Deze refereert aan de termietenhoop (`mierenplaag'), die op zijn beurt een metafoor wordt voor Zuid-Afrika, waarin diverse bevolkingsgroepen moeten samenleven. Ook vergelijkt Van Reybrouck zijn onderzoek met een `plaag' en een `termietenhoop', en typeert hij de onderzoeker als een vraatzuchtige `termiet'. De lezer moet op zijn beurt als een termiet te werk te gaan. Die moet de verschillende zandkorreltjes die de verhaallijnen vormen verzamelen en bereid zijn regelmatig het gehele bouwwerk uit zicht te verliezen.

Het is fraai gedaan, al vliegt Van Reybrouck in zijn metaforenenthousiasme soms ook uit de bocht, met name wanneer de auteur vrouwen tegen het lijf loopt. Tijdens een ontmoeting met een Engelse vrouw met een grote bril uit Van Reybrouck direct zijn vermoedens dat ze `in de menopauze verkeert'. Ook leert de auteur ons dat aardige mannen verdacht zijn. `Toen ik hen aansprak, had ik de behoefde om vriendelijker te zijn dan anders, zoals je extra aardig bent tegen een vrouw nadat je haar bedrogen hebt.'

Deze ontsierende zandkorrels sjouwt de lezer echter graag op de koop toe mee. Op zijn beste momenten is De plaag het goed geschreven non-fictie dagboek van een bedrijvige onderzoeker, dat andere ploeterende wetenschappers een warm hart onder de riem steekt.

David van Reybrouck: De plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika. Meulenhoff, 304 blz. € 18,02