De triomf van de stad

Twee hoogleraren middeleeuwse geschiedenis schetsen niet zozeer een beeld van de Middeleeuwen, maar van de pre-industriële samenlevingen die tot 1800 bestonden. Verbrokkeling was de sleutel van het succes van Europa.

De dubbele boekhouding en de mechanische klok, de watermolen en de bril, het parlement en de scheiding van kerk en staat – wat hebben deze totaal verschillende zaken gemeenschappelijk? Maar één ding: dat zij in de Middeleeuwen zijn bedacht. Dat zal veel mensen verbazen. Het gaat hier immers om uitvindingen die wij voor typisch modern houden en nog altijd geldt de stelregel dat de moderne tijd rond 1500 met de ontdekkingsreizen en de Renaissance is begonnen en dat de tijd daarvoor een barbaars intermezzo was dat misschien wel interessant is maar met ons leven nu weinig meer te maken heeft.

Wie van deze hardnekkige historische clichés af wil, moet onmiddellijk het nieuwe boek van Blockmans en Hoppenbrouwers ter hand nemen, want zij hebben zich ten doel gesteld te laten zien hoe juist in middeleeuws Europa `de grondslagen van het huidige Europa, ja zelfs van de huidige wereld zijn gelegd', en met die beginselverklaring is de toon gezet. De middeleeuwse wereld, waarover in dit boek verhaald wordt, heeft weinig vreemds of exotisch, zij is onze wereld in een eerder stadium van haar ontwikkeling, vandaar de titel: Eeuwen des onderscheids.

Een tweede opvallend kenmerk van dit handboek is de chronologie. De auteurs houden zich weliswaar netjes aan de traditionele indeling van de Europese geschiedenis door te beginnen met de val van het Romeinse Rijk in het Westen en te eindigen met de Renaissance, maar dat doen zij duidelijk met tegenzin, eigenlijk alleen, omdat aan vrijwel alle universiteiten de leerstoel Middeleeuwen, waaronder die van beide auteurs, nu eenmaal zo begrensd is.

Bij iedere ontwikkeling die zij schetsen bieden zij perspectieven die doorlopen tot in de achttiende eeuw, en dat kan ook niet anders, want de samenleving die zij in het vizier willen krijgen is niet zozeer een typisch middeleeuwse als wel een typisch pre-industriële, en dat veranderde nu eenmaal niet in 1500, maar pas rond 1800. Veel meer dan andere handboeken maken zij in de beschrijving van die samenleving ruim gebruik van resultaten uit de sociale wetenschappen. Het voordeel daarvan is dat zij de meeste ontwikkelingen kunnen begrijpen als algemeen-Europees, waardoor zij het nationalisme dat de geschiedschrijving over de Middeleeuwen altijd zo ernstig vertekend heeft, weten te overwinnen.

Hoe zag die wereld tot 1800 er volgens de schrijvers uit? De landbouwtechnologie was primitief, zodat er nauwelijks geproduceerd kon worden boven het overlevingsniveau. Dat had tot gevolg dat bijna alle mensen zich met het boerenbedrijf moesten bezighouden om voldoende voedsel te produceren. De bevolkingsgroei bleef daardoor zeer beperkt – de auteurs relativeren de zogenaamde demografische revolutie van 1000 tot 1300 – en was bovendien altijd bedreigd, een situatie die pas na 1750 begon te veranderen.

In de elfde eeuw ontstonden er aan rivierovergangen en op kruispunten van wegen kleine opeenhopingen van handelaren en ambachtslieden in steden. Ofschoon de bevolking van de steden vòòr 1800, op enkele uitzonderingen als de Nederlanden en Noord-Italië na, nooit veel meer dan tien procent van de totale bevolking omvatte, werd daar de grondslag gelegd voor een commerciële revolutie, die ervoor zorgde dat Europa in de eeuwen na 1200 van een straatarm achterstandsgebied uitgroeide tot het rijkste en meest ontwikkelde deel van de wereld, waar rond 1800 een volgende technologische en economische sprong genomen kon worden in de vorm van de industriële revolutie.

Ook ontstonden er in de loop van de Middeleeuwen meer gecentraliseerde staten, maar de bestuurlijke verbrokkeling uit de vroege Middeleeuwen werd tot de Franse Revolutie nooit helemaal overwonnen. Zelfs in de best georganiseerde staten bleef de rechtspraak grotendeels gebonden aan stand en stad, wat de armslag van het centrale staatsbestuur zeer beperkte. Geen vorst, hoezeer hij zich ook beriep op de Gratie Gods, kon het zich permitteren te regeren zonder overleg met zijn onderdanen. Dat kon de vorm aannemen van een representatieve instelling, zoals de Lords en de Commons in Engeland, of zoals in Frankrijk van een centrale rechtbank, het Parlement de Paris, waar alle wetten die de regering uitvaardigde ingeschreven moesten worden.

De cultuur van Europa bleef tot 1800 grotendeels gebaseerd op mondelinge overlevering, verhalen die doorverteld werden, gewoontes die van vader op zoon en van meester op gezel werden doorgegeven. De schriftcultuur was belangrijk, maar bleef het monopolie van een kleine elite, die aanvankelijk alleen bestond uit geestelijken, later ook uit humanistisch gevormde burgers. Zij communiceerden met elkaar in een taal die verschillend was van die van het volk, eerst Latijn, later ook Frans. Pas in de negentiende eeuw werd het schrift een bezit van allen en begonnen volk en elite zich in dezelfde taal uit te drukken. Verschillen tussen volkeren werden toen belangrijker dan verschillen tussen standen.

Tenslotte, het was een wereld die vervuld was van geloof en godsdienst, niet zozeer als een innerlijke overtuiging, hoewel dat natuurlijk ook veel voorkwam – zeker bij degenen die ons hun gedachten op schrift hebben nagelaten – maar vooral als een verzameling van collectieve rituelen die aan de samenleving richting en samenhang gaven. Godsdienstige dissidenten, zoals joden, moslims en ketters, konden dus nauwelijks geduld worden, zij brachten de samenleving in gevaar. Het was de vaste overtuiging van iedereen dat in één staat maar één kerk kon worden erkend, hetzij volstrekt exclusief, zoals in Spanje of de Scandinavische landen, hetzij als `heersend', zoals in de Nederlandse Republiek.

Door deze beschrijving van de pre-industriële Europese wereld heen speelt voortdurend de vraag, hoe in die eeuwen Europa zo'n voorsprong heeft weten te nemen op de aanvankelijk veel meer geavanceerde beschavingen van Azië. Van China wordt wel gezegd dat het rond 1300 op de drempel stond van een industriële revolutie. Die heeft echter nooit plaatsgehad. Het is werkelijk een opluchting dat die vraag naar Europa's voorsprong zo rustig en zonder enige vorm van verontschuldiging gesteld wordt. De laatste jaren is, zeker in het middelbaar onderwijs, een soort excuuscultuur binnengedrongen waarin altijd maar benadrukt moet worden hoe barbaars Europa in de Middeleeuwen was en hoeveel wij toen aan de Islam te danken hadden. Het eerste is gewoon onzin, het laatste is zeker waar. Aan de Arabieren danken wij onder meer onze kennis van de beginselen van de wiskunde en de natuurwetenschappen en de auteurs van dit handboek maken daar ook geen geheim van. Maar de veel interessantere vraag is natuurlijk waarom Europa vanaf de late Middeleeuwen in macht en rijkdom omhoog schoot, terwijl tegelijkertijd het Midden-Oosten en later ook China steeds meer in de achterhoede raakten.

Volgens de auteurs heeft dat alles te maken met de sterke verbrokkeling van de macht die in Europa sinds de val van Rome eigenlijk nooit meer overwonnen is. In de eerste plaats is het nooit meer gelukt om in West-Europa één centraal bestuurd rijk te vestigen waar alle draden van de macht samenkwamen, zoals in het Midden-Oosten en de Balkan gebeurde met de stichting van het Ottomaanse Rijk. Er zijn natuurlijk wel pogingen gedaan. Karel de Grote en later de Duitse koningen hebben geprobeerd het Romeinse Rijk nieuw leven in te blazen. Dat is al in de elfde eeuw jammerlijk mislukt, hoewel de Duitse koningen tot 1806 hardnekkig de titel van Romeins keizer zijn blijven dragen.

Na 1050 heeft de kerk geprobeerd om orde in de chaos te scheppen door de paus naar voren te schuiven als een universele geestelijke en wereldlijke monarch aan wie alle andere vorsten onderhorig waren. Dat is iets beter gelukt: de pausen zijn er inderdaad in geslaagd om vanaf 1100 een rechtssysteem te scheppen dat in heel Latijns Europa erkend werd, maar dat duurde slechts tot het moment dat de vorsten orde in eigen huis hadden geschapen.

Daarna werd de pauselijke rechtspraak gezien als een inbreuk op de soevereiniteit van de staat, waaraan zo snel mogelijk een einde gemaakt moest worden. Het gevolg van die strijd, eerst tussen keizer en paus en later tussen de paus en de opkomende `nationale' staten, was dat er vanaf de late Middeleeuwen duidelijk twee machten werden onderscheiden: de wereldlijke en de geestelijke, de godsdienst en de staat, die elkaar soms aanvulden en soms bestreden, maar vooral, die elkaar beperkten in de uitoefening van hun macht. In de ruimte die daardoor ontstond kon in West-Europa een nergens ter wereld geëvenaarde traditie groeien van geestelijke vrijheid, die de grondslag werd van de wetenschappelijke en politieke revoluties van later eeuwen.

Door die verbrokkeling van macht is het voor middeleeuwse machthebbers altijd moeilijk gebleven om de loyaliteit van hun ondergeschikten te winnen en te behouden. Dat blijkt onder meer uit de ontwikkeling van de feodaliteit in de vroege Middeleeuwen. Dit was een poging om de krijgerklasse te binden aan meer centrale vormen van gezagsuitoefening door een systeem op te bouwen van diensten en wederdiensten, waardoor vorst en onderdaan aan elkaar gebonden raakten in een gecompliceerd geheel van wederzijdse verplichtingen, dat iedere vorm van vorstelijke willekeur onmogelijk maakte.

Later in de Middeleeuwen, toen vorsten meer geld nodig hadden om een van de adel onafhankelijke, centrale bureaucratie op te bouwen, moesten zij om geld gaan bedelen bij de steden. Die wilden dat graag geven, maar wel in ruil voor een stem in het bestuur. De kerk, de krijgerklasse en de steden; dat waren in de Middeleeuwen de drie belangrijkste instanties die het de staat onmogelijk maakten om enige vorm van absoluut en ongecontroleerd gezag op te bouwen. En ofschoon in later eeuwen de controle op andere wijze is georganiseerd, is het principe dat alle gezagsuitoefening gecontroleerd moet worden, nooit meer verlaten.

Maar hoe belangrijk scheiding der machten en controle op macht ook waren, voor de auteurs ligt de eigenlijke dynamo van de unieke ontwikkeling van Europa in de stad. Dit boek kan zonder veel overdrijving een ode aan de middeleeuwse stad genoemd worden. Nergens wordt de overtuiging van de auteurs dat wij nog steeds voortbouwen op wat onze middeleeuwse voorouders begonnen zijn, zo voelbaar als in de beschrijving van de steden en van de koophandel. De beslissende vernieuwing was dat de Europese steden vanaf het begin van hun bestaan als handels- en productiecentra, ergens in het begin van de twaalfde eeuw, erin zijn geslaagd een verregaande mate van politieke en juridische autonomie te verwerven, waardoor zij zich vrij konden ontwikkelen en de belangen van de handel boven alles konden stellen. Doordat stedelingen nauwelijks met kerk en koning hoefden rekening te houden, konden zij een mentaliteit ontwikkelen waarin de vraag van de markt en het onbeperkte streven naar winst de drijfveer werden van alle economisch handelen. De politieke autonomie van de middeleeuwse stad droeg zo wezenlijk bij tot de vorming van een autonome kapitalistische mentaliteit die aan de grondslag lag `van een Europese dynamiek, onstuitbaar op weg naar mondiale dominantie'.

Minder overtuigend is Eeuwen des onderscheids als het gaat over kunst, wetenschap en godsdienst. Het lijkt wel alsof de auteurs moeite hebben om te erkennen dat uitingen van hogere cultuur niet altijd te herleiden zijn tot macht of bezit, maar dat zij kunnen voortkomen uit een autonoom streven. Anders gezegd: dat mensen kunnen gaan dichten, denken of bidden om andere motieven dan verheerlijking van macht of vermeerdering van bezit. Natuurlijk zijn kathedralen ook gebouwd om burgertrots te verbeelden en zijn veel van de mooiste middeleeuwse fresco's en mozaïeken in Romeinse kerken propaganda voor de macht van de paus, maar de vraag is of daarmee hun betekenis voor ons is uitgeput. Terwijl bij de beschrijving van het ontstaan van steden en handel en van nieuwe bestuursvormen de auteurs telkens laten zien hoe hierin waarden vorm gekregen hebben die de beperkingen van hun eigen tijd ontstegen en daardoor ook nu nog de onze kunnen zijn, lukt hun dat bij de cultuur niet. De beschrijving van cultuuruitingen beperkt zich tot de context van hun ontstaan en daar blijft het bij, er worden nauwelijks perspectieven naar latere tijden geopend.

Over de hoofse liefdespoëzie weten de auteurs alleen op te merken dat zij volslagen utopisch was, vooral diende ter bemanteling van mannelijke lust, en niets te maken had met de werkelijke behandeling van vrouwen in de twaalfde eeuw. Ridderromans, zo staat er letterlijk, zijn moeilijk te doorgronden en leven nu alleen nog voort in de kasteelroman.

Dat is een onbegrijpelijk oordeel. Als er iets is wat de Middeleeuwen overleefd heeft en in iedere eeuw nieuwe bewonderaars heeft getrokken, is het toch het ridderideaal. Vanaf Ariosto's Orlando furioso, via de romans van Walter Scott en opera's als Lohengrin en Parcival, tot Tolkien en Harry Potter heeft iedere generatie dat ideaal van moed, eer en trouw, van belangeloze liefde en recht voor de zwakken, geherinterpreteerd naar zijn eigen tijd en behoeften, misschien juist wel als een alternatief voor een doorgeschoten kapitalisme, waarin alleen winst nog telt.

Ook met de filosofie weten de auteurs niet goed raad. Onder middeleeuwse filosofen heeft een eeuwenlange strijd gewoed over de vraag of aan algemene concepten als `paard' iets in de werkelijkheid beantwoordde, of dat wij het zelf zijn die op grond van waarneming van talloze paarden in onze geest een concept `paard' vormen om al die waarnemingen te ordenen. De vraag waarom het toen ging wordt helemaal correct beschreven, maar het is erg jammer dat de auteurs niet laten niet zien hoe hier het grote debat begonnen is dat de Europese filosofie nog steeds beheerst, namelijk over de verhouding tussen taal en werkelijkheid, over de vraag of wij in onze taaluitingen de werkelijkheid reconstrueren (Abélard, Aquino, empirisme, logisch positivisme) dan wel construeren (Ockham, idealisme, existentialisme, postmodernisme). Als je dat perspectief wel aanbrengt, wordt het alleen maar verbluffender met hoeveel scherpzinnigheid middeleeuwse filosofen de meest wezenlijke vragen aan de orde wisten te stellen.

Bij de behandeling van het christendom doen de auteurs wel weer een poging om een perspectief aan te brengen en wel via het begrip secularisering. Hun betoog is dat na een moeizame strijd tegen de resten van het heidendom de kerk rond 1200 de hele samenleving beheerste, maar dat daarna die invloed voortdurend is afgenomen, omdat door de rationalisering van de samenleving, vooral in de steden, mensen veel autonomer werden en zich steeds minder gelegen lieten liggen aan het gezag van de kerk. `Steeds meer zaken werden niet langer behandeld in een religieuze dimensie maar op zuiver menselijk of materieel vlak', aldus de auteurs. Ook dat was een grondvoorwaarde voor Europa's latere ontplooiing.

Maar de seculariseringsthese heeft twee grote zwakheden, waardoor zij ook door godsdiensthistorici niet langer wordt aangehangen. In de eerste plaats gaat zij ervan uit, dat er ergens tussen 1100 en 1300 een totaal christelijke samenleving bestaan heeft, die als onuitgesproken norm geldt, en dat het daarna allemaal minder (of meer, al naar gelang) geworden is. Maar er zijn goede redenen om aan te nemen dat het christendom het hoogtepunt van zijn invloed helemaal niet in de Middeleeuwen bereikt heeft, maar eerder in de eeuw van 1850 tot 1950.

Ten tweede is het onjuist om te veronderstellen dat rationaliteit en godsdienst elkaar uitsluiten. We hoeven alleen maar te kijken naar het huidige Amerika, waar presidenten bij het minste of geringste in gebed uitbarsten, om te zien hoe goed niets ontziende rationaliteit met christelijk geloof gecombineerd kan worden. Maar wij kunnen ook verwijzen naar de Middeleeuwen zelf. De meest rationele organisatie uit de Middeleeuwen is altijd de kerk zelf gebleven en veel van de mooiste middeleeuwse kerken zouden nooit gebouwd zijn zonder de vroomheid van de kooplieden, die het geld fourneerden. Het merkwaardige is dat de auteurs dit wel vermelden, maar er geen theoretische conclusies aan verbinden. In plaats van de geschiedenis van het christendom te blijven construeren als een van opkomst en neergang, is het veel verhelderender om haar te begrijpen als een reeks van transformaties, waarin de godsdienst op steeds andere wijze zich nestelde binnen de samenleving. De spannende vraag wordt dan of het christendom, dat zich altijd zo soepel heeft weten te voegen in die verschillende maatschappijvormen, in de huidige crisis nog een keer het vermogen heeft om zichzelf opnieuw uit te vinden.

Als het gaat om politiek, economie en maatschappij zijn Blockmans en Hoppenbrouwers er op meeslepende wijze in geslaagd om bij de lezer herkenning op te roepen: dit zijn onze voorouders, dit zijn de reuzen op wier schouders wij staan. Maar de middeleeuwse cultuur blijft in hun boek een curiositeitenkabinet, dat wel leuk is om naar te kijken, maar dat ons weinig meer te bieden heeft.

Dat is een beperking van dit fascinerende boek. Maar veel belangrijker is dat tegen de trend in om de Europese cultuur te kleineren, in dit boek met trots gesproken wordt over dit grootse verleden. Dat lijkt mij een goede zaak: als wij de jonge generatie een gevoel van gepaste trots op het eigen erfgoed kunnen bijbrengen, dan zullen zij uitstekend geëquipeerd zijn voor een maatschappij waarin waardering van andere culturen en tolerantie noodzaak zijn. Immers, zelden hebben in de geschiedenis gevoelens van minderwaardigheid over het eigene tot iets anders geleid dan geweld en onderdrukking van alles wat vreemd is.

Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers: Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van middeleeuws Europa. Prometheus, 476 blz. € 36,08