De manie van Kierkegaard

`De mensen denken dat de wereld wacht op een nieuwe republiek, een nieuwe sociale orde en een nieuwe religie, maar niemand komt op de gedachte dat de wereld meer heeft aan een nieuwe Socrates', schreef Søren Kierkegaard (1813-1855) in De ziekte tot de dood (1849). In zijn evenwichtige Kierkegaardbiografie onthult de oud-hoogleraar filosofie in Oslo Alastair Hannay, die in 1982 een meer filosofisch werk publiceerde over Kierkegaard, aan welke ziekte de Deense wijsgeer zelf dood ging: ruggenmergtering. Hannay baseert deze diagnose op het gegeven dat Kierkegaard in 1841 bloed opgaf, èn op wat de artsen bij Kierkegaards opname in het Frederikziekenhuis in het medisch dossier optekenden. Op zijn sterfbed vertelde Kierkegaard zijn vriend Emil Boese hoezeer de artsen zich vergisten: `De dokters begrijpen mijn ziekte niet. Het is psychisch, maar ze bekijken het op hun eigen doktersmanier. Het gaat slecht – bid voor me dat het spoedig voorbij is.'

Toen Kierkegaard op 2 oktober 1855 tijdens zijn dagelijkse wandeling door Kopenhagen uitgeput neerviel, had hij een hectisch jaar achter de rug. Hij had al zijn woede uitgestort over de nieuwe bisschop Martensen, die zijn voorganger Mynster op diens begrafenis op te hemelen als `een getuige van de waarheid'. Hannay meent dat dit voor Kierkegaard, fel criticus van de Deense Kerk, de laatste druppel betekende òf dat hij deze gelegenheid aangreep voor zijn slotoffensief. Hoewel Kierkegaard razend was en onmiddellijk in de pen klom, wachtte hij tot 18 december 1854 met publicatie, schrijft Hannay, uit respect voor de oude bisschop, vriend van zijn vader, en uit welbegrepen eigenbelang. Kritiek op deze kerkelijke gezagsdrager was politiek riskant. Per slot van rekening was de bisschopsbenoeming een regeringskwestie. Nadat begin december 1854 de zittende regering was gevallen, sloeg Kierkegaard hard toe.

Een andere verklaring voor Kierkegaards, door vrijwel niemand begrepen, late reactie lijkt me echter veel waarschijnlijker. De psychiatrische verklaring, door de auteur volledig over het hoofd gezien, luidt toornige manie. Daarop wijst de vergelijking die Kierkegaards acht jaar oudere broer Peter Christian, de latere bisschop, trok tussen Kierkegaards gedrag gedurende zijn laatste jaren met dat van ølver, een dolle schreeuwlelijk uit een Noorse sage. `We hadden als familie moeten doen wat de vrienden van ølver deden: hem moeten dwingen om een lange tijd rust te nemen.' Geteisterd door schuldgevoel over Kierkegaards dood ontwikkelde de broer veel later een ernstige depressie. Net als hun beider vader, die de vele sterfgevallen in het gezin en zijn zwaarmoedige levenshouding als straf zag voor het feit dat hij ooit God had vervloekt op de Jutlandse heide. Zelf leed Kierkegaard vermoedelijk aan een manisch-depressieve ziekte (thans bipolaire stoornis genoemd).

Terecht schrijft Hannay dat Kierkegaard zelf meende dat zijn moeizame levenswandel niet zozeer geworteld was in zijn vaders misstappen, maar in zijn bijzondere positie als Gods instrument. Daardoor liep de relatie stuk met zijn verloofde Regine Olsen, vertelde hij zijn vriend Emil Boesen op zijn sterfbed. `Ik ga dood, zit diep in de put. Ik heb een doorn in mijn vlees, net als Paulus.'

Alastair Hannay: Kierkegaard. A Biography. Cambridge University Press, 496 blz. € 53,76