De houdbaarheid van voorspellingen

In tijden van grotere economische onzekerheid, zoals nu, hebben economische voorspellingen nog een korte houdbaarheidsduur. Afgelopen jaar zijn gigantische vergissingen gemaakt. Volgens het bedrijf Consensus Economics voorspelden analisten in december 2000 dat de Amerikaanse economie met 3 procent zou groeien. Drie maanden later kwam die economie in een recessie terecht en in 2001 bedroeg de economische groei in Amerika slechts 1 procent. Marktonderzoekbureau IDC, dat onderzoek doet in de technologiesector, voorspelde dat de pc-verkopen in 2001 met 10 procent zouden stijgen. Wat bleek? De pc-markt is het afgelopen jaar zo'n 15 procent gekrompen.

Waarom worden er zoveel vergissingen gemaakt? Ieder jaar neemt de rekenkracht van de computers in de wereld exponentieel toe. Analisten ontwikkelen steeds verfijndere econometrische technieken om hun vaardigheden te verbeteren. In theorie moeten deze ontwikkelingen leiden tot nauwkeuriger voorspellingen. Maar misschien klopt de theorie wel niet.

Paul Ormerod, voormalig directeur economie van het Henley Centre for Economic Forecasting, is een bekende afvallige uit de wereld van de economische voorspellers. In zijn boek Butterfly Economics wendt hij zich tot de chaostheorie om uit te leggen waarom voorspellen geen zin heeft. Volgens Ormerod gaat de conventionele economie ervan uit dat individuele consumenten onveranderlijke voorkeuren hebben, ongeacht het gedrag van anderen. Liever neemt Ormerod een voorbeeld aan een mierenkolonie. Een mier die wordt geconfronteerd met twee identieke voedselbronnen op gelijke afstand van de kolonie, heeft drie keuzemogelijkheden: hij kan teruggaan naar de bron die hij het laatst heeft bezocht, hij kan spontaan de andere bron bezoeken en hij kan zich laten beïnvloeden door de recente bewegingen van andere mieren. Het hieruit voortvloeiende gedrag maakt een volstrekt willekeurige indruk, maar kan met behulp van de chaostheorie in een model gegoten worden. Zo worden de handelingen van beleggers op de aandelenmarkt voortdurend beinvloed door die van andere beleggers. Zoals Keynes al observeerde in zijn Algemene Theorie houden de meeste speculanten zich niet bezig met de langetermijn vooruitzichten van het bedrijf waarvan ze de aandelen kopen, maar met de vraag hoe de waarde van die aandelen beïnvloed wordt door kortetermijn veranderingen van de stemming op de markt.

Hoe verhoudt zich dit tot de recente gebeurtenissen? In 1999 en 2000 was er een enorme groei van de technologie-uitgaven, die veroorzaakt werd door grootse visioenen over het gebruik van het internet. Deze uitgaven werden gefinancierd door de omvangrijke uitgifte van obligaties en nieuwe aandelen. De bloeiperiode hield aan zolang de aandelenkoersen bleven stijgen. Maar er kwam een punt waarop de beursstemming omsloeg: de koersen begonnen te dalen, de obligatiemarkten bleven steken en de bedrijfsplannen van de meeste jonge internetondernemingen vertoonden steeds meer gaten.

De dalende obligatie- en aandelenkoersen stortten de meeste dotcoms en nieuwe telecombedrijven in de afgrond en veroorzaakten een kolossale terugval van de kapitaaluitgaven aan informatietechnologie en telecomapparatuur. Het hele afgelopen jaar hebben technologiefirma's geklaagd over het `slechte zicht', omdat bestaande klanten onverwacht orders introkken en er geen nieuwe klanten voor in de plaats kwamen. De chaos regeerde.

Voordat hij in Washington neerstreek, verdiende Alan Greenspan, voorzitter van de Federal Reserve, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, zijn geld met economische voorspellingen. Er wordt beweerd dat hij het leuk vindt om 's ochtends in bad de gegevens over de industriële productie door te nemen. Toch werd zelfs de alwetende Greenspan vorig jaar verrast door het tempo van de Amerikaanse inzinking. Nu wordt hij steeds meer bekritiseerd wegens zijn beheer van de economie in de late jaren negentig.

De afgelopen twintig jaar waren de meeste centrale bankiers in de wereld geobsedeerd door het beheersen van de stijging van de consumentenprijzen. Ze maakten zich niet zoveel zorgen over de stijging van de aandelenkoersen en de schuldenlasten. Toch beweert Stephen King,hoofdeconoom van de zakenbank HSBC, dat financiële zeepbellen het vaakst voorkomen in periodes van lage inflatie. Dat was het geval in de Verenigde Staten in de jaren twintig en negentig en in Japan in de jaren tachtig.

Als beurszeepbellen uiteen spatten, laten ze meestal een hoop improductieve investeringen en schulden achter. Op dit moment beschikken Amerikaanse bedrijven over meer ongebruikte capaciteit dan wanneer ook sinds de recessie van begin jaren tachtig. Bovendien bedragen de huidige uitstaande verplichtingen in de Verenigde Staten volgens Peter Warburton van het tijdschrift Economic Perspectives zo'n 170 procent van het bruto binnenlands product (BBP). In 1990 bedroeg de Japanse schuld net iets meer dan tweemaal het nationale inkomen. Als economieën onder zoveel schuld gebukt gaan, zijn ze meestal kwetsbaarder dan gebruikelijk voor interne of externe schokken.

Het is meer dan tien jaar geleden dat de Japanse economie op de klippenliep, en de toestand van de tweede economie ter wereld verslechtert nog steeds. De meeste analisten verwachten in 2002 een negatieve groei van 0,6 procent, maar om de hierboven vermelde redenen kon dat wel eens aan de optimistische kant zijn. Als de economie van de Verenigde Staten in 2002 opleeft – zoals de meeste economen en zowel de aandelen- als de obligatiemarkten voorspellen – is Greenspans beleid om de andelenkoersen te negeren, gerechtvaardigd. Maar als de opleving hapert en de economische groei in de wereld een traag tempo aanhoudt, zal waarschijnlijk de roep luider worden om de prioriteiten van de centrale banken te verleggen in de richting van beheersing van de aandelenkoersen en de kredietverschaffing.

Edward Chancellor is redacteur van Breaking Views.

(Vertaling: Menno Grootveld)