Bloedbad 1968 haalt staat Mexico alsnog in

Aan de vooravond van de Olympische Spelen werd in Mexico-Stad een bloedbad aangericht onder betogers. Pas nu gaat langzaam de doofpot open.

De doofpot is nog niet open, maar de Mexicaanse staat begint geleidelijk zijn eigen `vuile oorlog' onder ogen te zien. Begin deze maand gelastte het Mexicaanse hooggerechtshof een onderzoek naar het bloedbad dat op 2 oktober 1968, aan de vooravond van de Olympische Spelen, onder studenten werd aangericht.

Toen werden tussen de 300 en 500 demonstranten gedood in de wijk Tlatelolco in Mexico-Stad. De opeenvolgende regeringen van de Partido de la Revolución Institucional (PRI) hebben altijd volgehouden dat er slechts enkele tientallen slachtoffers waren en dat de studenten bovendien zelf als eersten schoten.

Het besluit van het hooggerechtshof komt na jarenlange druk van mensenrechtenorganisaties. Die werd de afgelopen tijd versterkt door de publicatie van verschillende bronnen en – vooral – foto's van de gebeurtenissen. Op foto's die het weekblad Proceso in januari publiceerde, blijkt de uitgesproken slechte behandeling van de overlevenden. Ook zijn op die foto's de vermoedelijke leden te zien van het `Batallón Olímpico', een eenheid militairen in burger die nog vóór de reguliere ordetroepen op de demonstranten zouden hebben geschoten. Voortgaande demonstraties zouden het imago van de natie tijdens de Spelen te zeer bezoedelen. Volgens Proceso zijn de foto's gemaakt in opdracht van de regering en onlangs door de door wroeging geplaagde fotograaf in Madrid aan de Spaanse correspondent van het weekblad toegespeeld.

De krant El Universal kwam deze week bovendien met amateurfoto's van ernstig verminkte slachtoffers. In opgedoken documenten van de Amerikaanse ambassade blijkt ook de belangrijke rol van ex-president Luis Echeverría in het bloedbad. Echeverría was in 1968 als minister verantwoordelijk voor de ordehandhaving en werd twee jaar later president.

Het onderzoek naar de schendingen van de mensenrechten tijdens het 71-jarig bewind van de PRI is een van de verkiezingsbeloften van Vicente Fox, die in juli 2000 als oppositiekandidaat tot president werd gekozen. Hij stelde een waarheidscommissie in het vooruitzicht die vooral de `vuile oorlog' van de jaren zeventig zou onderzoeken.

In die periode `verdwenen' rond vijfhonderd Mexicanen. De waarheidscommissie is er nog niet. Fox wordt in de uitvoering van zijn beloften gehinderd door de nog altijd grote macht van de PRI; hij heeft geen meerderheid in het parlement.

De oude dinosaurussen van de PRI worden door de aankondiging van het onderzoek steeds onrustiger. Oud-president Miguel de la Madrid (1982-88) verklaarde woensdag dat hij in de jaren tachtig had geprobeerd `Tlatelolco' te onderzoeken: ,,Maar het werd verhinderd. Omstandigheden als gebrek aan archieven en politiek verzet maakten dat onmogelijk. Toen ik vroeg om archiefmateriaal, zei men dat dat er niet was.'' Van wie die weigering afkomstig was, vertelde hij er niet bij.

Dat De la Madrid het uiterste heeft gedaan is echter twijfelachtig: Manuel Bartlett Díaz, minister onder De la Madrid, verklaarde daags daarop dat hij de president nooit had betrapt op enige aandrang om wat dan ook te onderzoeken, hoewel president en minister alle belangrijke staatszaken dagelijks met elkaar doornamen.

Tegelijkertijd meldde ex-president Echeverría zich bij De la Madrid thuis. Diens uitspraken worden door Mexicaanse commentatoren gezien als een impliciete beschuldiging aan het adres van Echeverría, die de middelen én de motieven had om onderzoek naar het bloedbad te voorkomen. Wanneer het gerechtelijk onderzoek naar `Tlatelolco' zal beginnen en hoe lang het zal duren, is nog niet duidelijk.