Binnenbocht is sneller

Bij sport moeten alle deelnemers gelijke omstandigheden treffen. Dank zij de schaatshallen kan een sneeuwbui of een opklaring een kampioenschap niet meer bederven. Het geluid van het startpistool gaat via een omroepinstallatie, zodat niet de ene schaatser de knal net iets eerder hoort dan de andere. Hoe hoger de snelheden worden, hoe meer op de 500 meter de laatste binnenbocht een probleem is. Sinds Nagano wordt daarom de afstand tweemaal gereden.

Op de 3.000 en de 5.000 meter bestaat een ongelijkheid waar je nooit iemand over hoort. Beide afstanden zijn niet deelbaar door 400 meter en beginnen dus met een half rondje. De schaatser die in dat halve rondje de binnenbocht rijdt, start 15,7 meter achter de tegenstander, in verband met het verschil in lengte van de bocht.

Desondanks komt het op de genoemde afstanden onevenredig vaak voor dat de rijder die de eerste binnenbocht heeft, als eerste de tijdwaarneming na 200 meter passeert. Op de 5 km voor heren en de 3 km voor dames in Salt Lake City was 21 van de 31 keer de rijder in de binnenbocht na 200 meter sneller (van één rit was de opening niet op de televisie). Het gemiddelde voordeel voor de binnenbocht bedroeg bijna 0,18 seconde – een voorsprong van ongeveer tweeëneenhalve meter. Bij de dames apart was het effect iets sterker: ruim 0,21 sec.

Dat is een pikant gegeven. Renate Groenewold (eerste binnenbocht) was afgelopen zondag over 3.000 meter maar driehonderdste sneller dan de Canadese Klassen (buitenbocht) en heeft dus mogelijk haar zilveren medaille te danken aan het voordeel dat ze op de eerste 200 meter heeft genoten. Ex-bondscoach Leen Pfrommer bevestigt het effect zonder aarzelen: ,,Dat is bekend. Schaatsers denken: pech gehad.''

De verklaring is simpel. Een bocht schaatsen met een lage snelheid is moeilijk. Moet dat toch, dan is een scherpe bocht makkelijker dan een flauwe. De rijder die op de 3.000 of 5.000 meter in de binnenbocht start (en dus achter zijn tegenstander), heeft een kort recht stuk om snelheid te maken, waarna een prettig scherpe curve volgt. De rijder in de buitenbocht zie je onbeholpen het pootje-over afwisselen met normale slagen, omdat hij anders de bocht niet doorkomt.

Toch is er volgens Pfrommer compensatie voor een rijder die op de 3 km in de buitenbocht start. ,,Omdat de 3 km vervolgens zeven hele rondjes telt, heeft deze schaatser de laatste binnenbocht. Vanaf de laatste kruising kijk je dan je tegenstander in de rug, wat een psychologisch voordeel is.'' Het gaat dus net iets te ver te stellen dat Groenewold aan het starteffect haar medaille te danken heeft. Vermoedelijk was haar geluk dat ze startte in de rit ná Klassen en winnares Pechstein, waardoor ze een richttijd had.

De 5 km telt 12 hele rondjes, een even aantal. Bij het nadeel van de eerste buitenbocht komt dan het nadeel van de laatste buitenbocht. Op de 5 km voor heren eindigden vier tweetallen en één drietal binnen tweetiende seconde van elkaar. Alleen de Japanner Hirako (17, binnen) en de Canadees Knoll (18, buiten) zouden van plaats hebben moeten wisselen als het startvoordeel niet had bestaan. Maar het is niet denkbeeldig dat op de 5 km voor dames, zaterdag de 23ste, dit effect invloed heeft op de medailleverdeling.

Verbazend aan dit alles is dat een oplossing al lang bestaat. Op de 1.000 meter zou hetzelfde probleem zich voordoen, maar daar wordt midden op het rechte eind gestart (en midden op het andere rechte eind gefinisht). Zo kun je vaart maken voor de eerste bocht. Dat moet op de 5.000 meter voortaan dus ook.