Bestuurders weg om hbo-fraude

Twee bestuursleden van het bedrijf Opleiding en Ontwikkeling (O&O) in Breda hebben vandaag besloten hun functie neer te leggen. Accountants van het ministerie van Onderwijs lichten het bedrijf momenteel door wegens mogelijke betrokkenheid bij een miljoenenfraude in het hoger beroepsonderwijs.

J. van Zwieten, directeur en bestuurslid van O&O, is vorige week al opgestapt, zo werd vandaag bekend. Inmiddels is een interim-manager aangesteld die samen met het enig overgebleven bestuurslid, H. van Lamoen, het Bredase bedrijf zal leiden.

Het accountantsonderzoek van het ministerie richt zich met name op de samenwerking van zes hogescholen met O&O, waarbij studenten werden ingeschreven die niet of nauwelijks college zouden volgen. Zo zouden de hogescholen ten onrechte miljoenen aan subsidie hebben gekregen. O&O wierf de studenten en faciliteerde het onderwijs. De hogescholen zouden daarvoor een flink deel van de subsidie hebben betaald aan O&O.

De twee vertrekkende bestuursleden, J. van Lotringen en P. Hannen, die ook directeur zijn bij moederbedrijf Informa Europe, hebben zelf een extern accountantsbureau opdracht gegeven de administratie van O&O te onderzoeken. ,,Wij willen dat onderzoek niet in de weg staan'', zegt Van Lotringen als verklaring voor zijn vertrek. Hij vreest dat de commotie rondom O&O het moederbedrijf beschadigt. Informa Europe maakt deel uit van de Informa Group, een multinational in de commerciële dienstverlening.

De hogescholen van Utrecht, Brabant, Deventer en Groningen zeggen hun contracten met O&O te hebben verbroken. De hogeschool van Amsterdam onderhandelt met moederbedrijf Informa om het contract te verbreken. O&O voert sinds 2000 het management over InterAct, de commerciële tak van de Hogeschool van Amsterdam. De Hogeschool Alkmaar wil het rapport van Onderwijs over de hbo-fraude afwachten.

Een van de opgestapte bestuurders vindt O&O niet verantwoordelijk voor fraude. ,,De hogescholen beslissen zelf of zij subsidie aanvragen voor studenten. En zij weten ook of zij daar een evenredige onderwijsprestatie tegenover stellen.''