Verbied giften bedrijfsleven aan politieke partijen

Een verscherping van de regels voor de financiering van politieke partijen is gewenst. Hierover moet dit voorjaar een principiële discussie worden gevoerd. Nu al moeten partijen openheid betrachten over de herkomst van hun financiën. Het functioneren van de democratie is daarbij gebaat, vindt Ruud Koole.

Onlangs ging de Texaanse energiegigant Enron failliet. Dat was slecht nieuws voor de duizenden werknemers die hun baan en pensioen kwijtraakten en voor de aandeelhouders die hun kapitaal verloren. Maar in vele commentaren werd ook een goede kant gezien in de ondergang van dit bedrijf, namelijk dat nu eindelijk het Amerikaanse systeem van politieke financiering eens op de schop zou gaan. Enron was één van de vele bedrijven die geld geven aan partijen en (presidents)kandidaten in de Verenigde Staten. De Republikeinse senator John McCain zei dat de Enron-affaire duidelijk maakt dat er een einde moet komen aan donaties van bedrijven en vakbonden: ,,Het bezoedelt ons allemaal, Republikeinen, zowel als Democraten''. Dit ,,Casino-kapitalisme'' is er een voorbeeld van hoe ,,Amerika's democratie werd verkocht'' (NRC Handelsblad, 28 januari).

Juist op het moment dat men in de Verenigde Staten af wil van donaties aan partijen en kandidaten door het bedrijfsleven, lijkt in Nederland een belangrijke stap gezet te worden in de richting van dat in de Verenigde Staten verfoeide systeem. De voorzitter van de VVD is ruim een jaar geleden begonnen met pogingen het taboe dat er in Nederland sinds de jaren zestig op giften uit het bedrijfsleven aan politieke partijen rust te doorbreken. Leefbaar Nederland sluit zich aan bij de VVD en zegt reeds vele miljoenen van enkele mensen uit het bedrijfsleven te hebben ontvangen. De blijmoedige naïviteit waarmee deze stappen in de verkeerde richting worden gezet is onthutsend.

Giften door georganiseerde belangen worden nooit zomaar gedaan: het gaat ten minste om het bereiken van een gunstiger klimaat voor bedrijf of sector of om het verkrijgen van gemakkelijker toegang tot de politieke besluitvorming. In een democratie behoort het bereiken van dergelijke doelen echter niet afhankelijk te zijn van giften van rijke organisaties of personen. Zelfs niet als deze giften voor iedereen waarneembaar zijn. De donaties in de Verenigde Staten worden openlijk gedaan en toch worden zij steeds meer gehekeld, omdat zij het democratische proces in gevaar brengen. In Nederland meent de VVD dat als de giften maar ,,transparant'' zijn, er niets tegen is.

Maar politieke financiën moeten niet alleen transparant zijn, zij moeten in een democratie ook voldoen aan de eis van gelijkheid van kansen voor de burgers (politieke invloed mag niet afhangen van de dikte van de portemonnee) en de eis van gelijkheid van kansen voor partijen (de giften van het bedrijfsleven of particuliere grote geldschieters zullen waarschijnlijk niet evenredig over de partijen worden verdeeld).

Het beste is dat politieke partijen voor hun inkomsten afhankelijk zijn van vele kleine giften van leden en sympathisanten. Wanneer dat door ontwikkelingen als de individualisering niet meer volledig haalbaar is (minder partijleden), dan ligt aanvullende overheidssubsidiëring van partij-activiteiten meer voor de hand dan een beroep op giften uit het bedrijfsleven, omdat de overheid die gelijkheid van kansen veel beter kan garanderen. Daarvoor is sinds het begin van de jaren zeventig in Nederland gekozen. De weg die nu door sommige partijen wordt ingeslagen, zet de deur wijd open voor ongewenste beïnvloeding van de politiek door georganiseerde belangen.

Nederland staat momenteel op een tweesprong wat betreft politieke financiën, omdat de kapitaalbehoefte van partijen wel eens drastisch zou kunnen toenemen door bijvoorbeeld op grote schaal gebruik te maken van betaalde reclame op televisie. Dat zou kunnen leiden tot acceptatie op grote schaal van giften uit het bedrijfsleven, met de genoemde verstoring van het democratisch proces als gevolg.

Daarop zijn twee antwoorden mogelijk. Ten eerste het terugdringen van de kapitaalbehoefte, bijvoorbeeld door het verbieden van het kopen van reclamezendtijd op radio en televisie door of ten gunste van politieke partijen, of dat anderszins te ontmoedigen. In Groot-Brittannië bestaat zo'n verbod. Om de kiezers via die media te kunnen bereiken zou men dan wel kunnen denken aan een regeling waarbij de overheid aan de partijen een geoormerkt substantieel bedrag geeft dat de partijen naar eigen inzicht aan commerciële zendtijd kunnen besteden, maar waarbij de partijen geen eigen middelen voor mogen aanwenden. De uitgaven blijven daardoor beheersbaar en de partijen worden evenredig behandeld. Net als nu bij de zendtijd voor politieke partijen op de publieke zenders reeds het geval is, zouden in campagnetijd ook nieuwe partijen van die regeling moeten kunnen profiteren.

Het tweede antwoord dat nodig is – ook als het eerste zou worden gerealiseerd – is het verbieden van giften van het bedrijfsleven, zoals ook in Frankrijk sinds kort het geval is. De inkomsten van partijen bestaan dan uit kleine giften en contributies van leden en sympathisanten, aangevuld door overheidssubsidies.

Het huidige subsidiestelsel zou kunnen worden aangevuld met een gedeeltelijke koppeling aan het aantal leden van partijen, of bijvoorbeeld met de regeling dat belastingbetalers de mogelijkheid krijgen bij hun belastingaangifte aan te geven of, en zo ja, aan welke partij 1 euro van hun belastinggeld ten goede mag komen. In de Verenigde Staten bestaat een dergelijk systeem en dat functioneert daar wel goed. Zodoende wordt de maatschappelijke verankering bevorderd. Ook zou men vormen van subsidie voor nieuwe partijen, of voor partijen die alleen op lokaal niveau actief zijn, moeten overwegen.

In alle gevallen moeten er strengere regels gesteld worden over de transparantie van politieke financiën. De huidige Nederlandse wetgeving is op dit punt veel te slap. Nederland zou eens kennis moeten nemen van de situatie in Engeland, waar men vorig jaar de regels veel scherper heeft gemaakt. Elke gift aan Nederlandse partijen van boven een bedrag van 500 euro zou tijdig publiek gemaakt moeten worden (in vele landen – Canada, de Verenigde Staten, Frankrijk – is de grens nog lager gesteld), zodat de kiezer geïnformeerd is. Bij donaties van bevriende stichtingen, moeten ook die stichtingen hun bronnen bekendmaken. Aan het niet voldoen aan die eisen moeten duidelijke sancties worden gesteld (ten minste het intrekken van subsidies aan de ontvangende partijen).

Het zou zinnig zijn om bij de evaluatie van de Wet subsidiëring politieke partijen dit voorjaar een begin te maken met de principiële discussie over de politieke financiën. Afspraken over de verscherping van de regels daarover zouden daarna in het regeerakkoord voor een volgende kabinetsperiode opgenomen moeten worden. Intussen doen alle partijen er goed aan nu al optimale openheid over de herkomst van hun inkomsten te betrachten. Het zou het functioneren van de democratie ten goede komen.

Ruud Koole is voorzitter van de Partij van de Arbeid en heeft als politicoloog van de Leidse universiteit uitgebreid onderzoek verricht naar politieke financiën in Westerse landen.