Signaal van Jakarta

Tussen het Molukse eiland Halmahera en het Filippijnse Mindanao ligt een zee-engte van ongeveer vijfhonderd kilometer. Op de Molukken is de afgelopen jaren zwaar gevochten tussen moslims en christenen. Een groepering die zich Laskar Jihad noemt (`strijders voor het geloof'), en die afkomstig is uit Java, heeft de plaatselijke moslims actief geholpen bij het bedrijven van gewapend terrorisme tegen christenen. Vijfhonderd kilometer verderop, de Celebeszee over, zijn op Mindanao en nabij Zamboanga de gewelddadige moslim-guerrillero's van Abu Sayyaf actief. Zij vechten voor een islamitische staat en zijn gevreesde plegers van gijzelingen. Tussen de twee groeperingen zijn verschillen, uiteraard, en de lokale en historische omstandigheden lopen ongetwijfeld uiteen. Maar de internationale strijd tegen het terrorisme en de Amerikaanse bemoeienis hiermee maken een vergelijking van de aanpak van beide vraagstukken interessant en noodzakelijk. Vijfhonderd kilometer is niet veel, maar die afstand blijkt toch een wereld van verschil uit te maken.

In Zamboanga zijn de afgelopen twee weken meer dan zeshonderd Amerikaanse militairen begonnen met het `adviseren' van Filippijnse troepen die op hun beurt de terroristen van Abu Sayyaf bestrijden. De VS zien Abu Sayyaf als een cel van het terroristennetwerk Al-Qaeda. De Amerikaanse adviseurs kunnen vooralsnog rekenen op politieke steun vanuit Manila. Maar plaatselijke politici hebben felle bezwaren geuit tegen deze vorm van militaire bemoeienis. De strijd op de Filippijnen is een goed voorbeeld van hoe president Bush zijn oorlog tegen het terrorisme wenst aan te pakken: wereldwijd, met wisselende coalities en inzet van lokale troepen. Het kan werken, maar het roept ook protesten en begrijpelijke weerzin tegen de Amerikaanse inmenging op.

Hoe anders heeft de Indonesische regering het bloedige terrorisme op de Molukken en het brisante conflict tussen moslims en christenen daar afgehandeld. Het werd wel tijd dat er iets gebeurde. De terreur duurde al drie jaar en heeft aan vijfduizend mensen het leven gekost. Deze week werd in Malino, een bergstadje in Sulawesi, een vredesakkoord gesloten dat een definitief einde moet maken aan de strijd. Alleen al de aanwezigheid van de fanatici van Laskar Jihad op de Molukken moet zowel in Jakarta als Washington de alarmbellen hebben doen rinkelen. Centrale regie was hard nodig. Het resultaat is er naar. Het akkoord sluit iedere vorm van separatisme uit en zoekt de oplossing van het conflict in het kader van de eenheidsstaat Indonesië.

Het moet zijn duurzaamheid nog bewijzen, maar dit akkoord kan nu al worden gezien als een belangrijk binnenlands signaal van de regering van president Megawati Soekarnoputri aan moslims, christenen en kwaadwillende terroristen: het centrale gezag is waakzaam en tot vredesoverleg bereid, maar laat niet met zich spotten. Ook aan de buitenwacht toont Jakarta, meermaals bekritiseerd wegens het uitblijven van een herkenbaar antiterrorismebeleid, zijn tanden. Indonesië is in staat de eigen broek op te houden. Hulp van anderen is daarbij niet nodig. Een binnenlands conflict met een internationale uitstraling en een geweldspotentieel dat verder strekt dan de Molukken, is in eigen beheer opgeknapt. Daaruit valt hoop te putten.