Kost en Inwoning

Suikerbieten

We zaten in het café en dronken koffie,

sloegen traag de pagina's van de krant om,

want belangrijker dan het wereldnieuws was

wat we elkaar hadden te vertellen.

Plotseling gebeurde het: iemand zei een woord,

het woord suikerbieten. Hoe hij erop kwam?

Er zijn altijd woorden die uit de diepte

naar boven komen, onverwacht, lachwekkend soms,

woorden die een beeld oproepen van het altijd

natte najaar, bij voorbeeld, waarin ik,

terwijl het gesprek al ergens anders over ging,

jou zag, genageld aan een kruis van klei.

Raar beeld. Wat moet je ermee? Maar beelden

roepen woorden op, of een ochtend

aan de leestafel van een café, een suikerklont

die oplost in een kopje espresso.

Rien Vroegindeweij (geb. 1944)

Dit gedicht behoort in de poëzie tot een apart genre: tot de gedichten waarin een alledaags voorval of alledaags voorwerp de aanleiding vormt tot een hogere bespiegeling. De fietstocht en de fluitketel leggen het wezen bloot van de eenzaamheid en het huwelijk. Het begint met een tafelpoot en het eindigt met de tijdgeest.

Soms beperkt de dichter zich tot een tergend doorzeuren over het banale ding zelf, en moeten we er de achterliggende betekenis maar bij bedenken. Dat zijn de hoogtepunten van het genre.

Dit is bovendien een gedicht dat om een ondichterlijk geacht woord draait. Suikerbieten. Heel iets anders dan azuren uitspansel of ritsel-wenende maanflambouw. Soms lijkt een dichter de poëtische wetten uit te dagen door een woord te willen binnensmokkelen uit een heel andere wereld, niet zomaar een gek woord of een woord dat een beetje onbenullig klinkt, nee een woord dat nuchterder klinkt dan de nuchterste poëzie lijkt te kunnen verdragen. Papendrecht, mattenklopper. Bommel, aspirine. Suikerbiet.

Goedkoper dan de aardappel, plomper dan de knol.

Misschien wil een dichter met zo'n introductie bewijzen dat er geen ondichterlijke woorden bestaan. Misschien wil hij zich verzetten tegen een al te esthetische poëzie. Maar het interessantste wat hij voor mij bewijst, mits hij zijn suikerbieten overtuigend inbouwt, is dat er niet zoiets bestaat als een dichterlijke wereld en een ondichterlijke wereld die van elkaar gescheiden zouden zijn.

We zaten in het café en dronken koffie

gewoner kan een gedicht niet beginnen. En de suikerbieten worden hier overtuigend genoeg ingebouwd. Niet door het gedicht gewoontjes te houden, maar door theater, suspense, een paukenslag.

Plotseling gebeurde het

wat gebeurt er? Verschijnt er een engel aan de hemel? Gaat het donderen en bliksemen? Ontploft de wereld met al het wereldnieuws erbij?

Nee, iemand zegt iets. Iemand zegt het woord suikerbieten.

Daar kijkt iemand dus zo van op dat iemand er niet meer van opkijkt.

Genoeg redenen om sympathie voor dit gedicht te koesteren. Toch bevredigt het niet helemaal. De dichter legt me te veel uit. Daarmee bedoel ik niet de zinnen

Er zijn altijd woorden die uit de diepte

naar boven komen, onverwacht, lachwekkend soms

want dat is op zich een acceptabele observatie, een constatering zelfs die in de poëzie niet vaak genoeg herhaald kan worden, nee ik bedoel het uitleggerige van

Raar beeld. Wat moet je ermee?

Het is aan de lezer om het beeld als raar te ervaren en het is aan de lezer om uit te maken wat hij of zij er mee moet. Hier gaat de dichter met alle eer strijken en wordt ons elke mogelijkheid tot deelname uit handen geslagen.

Wat zou de lezer zich nog verwonderen als de dichter het ons zo voorkauwt?

Elke dichter manipuleert de lezer. Maar hij doet het pas goed als de lezer verbaasd staat over zijn eigen oriëntatievermogen.

Zelfs zonder het al te intens te lezen mis ik de logica in dit gedicht. Ik lijk Droogstoppel wel. Maar ik bedoel met logica niet dat het in een gedicht om drie uur niet zonnig mag zijn als het om vier uur guur is, of wat Droogstoppel ook al weer ogen stond, ik bedoel dat de dichter, deze speciale dichter, na zijn in de horeca gesitueerde openingszin en na zijn suikerbieten niet ineens een beroep moet doen op sluimerende buitenaardse vermogens in ons, vermogens om knopen te ontwarren die niet als knopen zijn bedoeld.

Ik begrijp dat het woord in dit gedicht tot het beeld leidt en dat beelden weer woorden oproepen. Dat de cirkel eeuwig rondgaat, om zo te zeggen. De cyclus van koffie, suikerbiet en in espresso oplossende suikerklont duidt daar ook op. Maar zoals de dichter bij `raar beeld' te weinig overliet aan mijn verbeelding, zo doet hij aan het slot een te groot beroep op mijn begrip. Hoe moet ik de laatste drie regels lezen? Roepen beelden woorden op, of een ochtend? Of roepen beelden woorden op zoals een ochtend een suikerklont? Of roepen beelden een ochtend en een suikerklont tegelijk op?

Het raadsel of deze zinnen onderschikkend zijn of nevenschikkend of onderstebovenschikkend lijkt me geen bedoeld raadsel. Ik kan hier maar twee kanten op. Of ik ben te dom voor poëzie, wat mogelijk is, of er moest in dit gedicht te veel geknutseld worden, wat waarschijnlijker is.