Hoog tijd voor een minister van Onderzoek

Nederland raakt wetenschappelijk achterop. Door de neiging alles aan de markt over te laten trekt de overheid te weinig geld uit voor onderzoek. Volgens Herman Philipse is dat kortzichtig beleid.

Uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product neemt in Nederland de overheidsfinanciering van wetenschappelijk onderzoek sinds 1990 gestaag af. Het percentage ligt nu rond de 0.8 procent, tegen 1,1 procent in 1990. Ten gevolge van deze relatieve daling is Nederland gezakt in de rangorde van

OESO-landen. Stond ons land in 1990 nog op de derde plaats wat overheidsfinanciering van onderzoek betreft, in 2000 was het tot de zevende positie gekelderd.

Deze ontwikkeling roept vragen op. Ten eerste: waarom moet de overheid überhaupt investeren in wetenschappelijk onderzoek? Kan ze dit niet beter aan de markt overlaten? Als men van mening is dat wetenschappelijk onderzoek een taak is van de overheid, dan rijst een tweede vraag: hoeveel moet de Nederlandse overheid in wetenschappelijk onderzoek investeren?

In het algemeen geldt dat goederen en diensten het beste geproduceerd kunnen worden in vrije mededinging op een open markt. De traditionele legitimatie voor overheidsfinanciering van wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op de volgende gedachtegang: het marktmechanisme kan alleen een efficiënte allocatie bewerkstelligen als het goederen betreft waarbij is voldaan aan de voorwaarden van uitsluitbaarheid bij het aanbod en rivaliteit bij de consumptie. Als een consument niet uitgesloten kan worden van profijt van een goed, zoals bij een dijk die hem tegen het water beschermt, zal hij proberen gratis te profiteren, een `free-rider' te zijn, met het gevolg dat het goed niet of te weinig geproduceerd wordt. Indien er geen rivaliteit is bij de consumptie van een goed, hoeven er geen extra kosten gemaakt te worden om anderen van het goed te laten profiteren wanneer het er eenmaal is, zodat de marginale kosten per extra gebruiker nul zijn. Maar dat betekent dat aan additionele gebruikers ook geen prijs in rekening gebracht kan worden, zodat het goed onvoldoende wordt voortgebracht.

Volgens de traditionele legitimatie voor overheidsfinanciering van onderzoek bestaat het goed dat door wetenschappelijk onderzoek totstandkomt in kennis waarvan de productie weliswaar kostbaar is, maar die vrijwel kosteloos overdraagbaar is via openbare publicaties. Aan de voorwaarde van uitsluitbaarheid is dan onvoldoende voldaan. Bovendien neemt men aan dat ook van rivaliteit geen sprake is, want dezelfde kennis, eenmaal geproduceerd, kan zonder verdere productiekosten telkens opnieuw geconsumeerd worden door het lezen van de publicaties. Daarom kan het marktmechanisme niet zorgen voor optimale productie van wetenschappelijke kennis en moet de overheid onderzoek financieren, met name zuiver wetenschappelijk onderzoek.

Op grond van deze traditionele legitimatie voor de overheidsfinanciering van onderzoek kan men verdedigen dat Nederland zijn onderzoeksbudget als percentage van het bbp laat dalen. Maar deze zienswijze getuigt van misvattingen omtrent wetenschappelijke kennis en het gebruik ervan. Een beter begrip van kennis, met name kennis geproduceerd in de bèta-wetenschappen, leidt juist tot de conclusie dat Nederland zijn uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek moet verhogen. Bovendien getuigt de Nederlandse onderzoekspolitiek van het laatste decennium van onbegrip van de aard en werkelijke baten van wetenschappelijk onderzoek.

Het eerste punt wordt duidelijk zodra men landen beschouwt als spelers op een internationale markt. Als wetenschappelijke kennis geheel beschikbaar komt in algemeen toegankelijke publicaties, is het niet alleen voor een onderneming maar ook voor een land voordelig een `free-rider' te worden en te profiteren van elders geproduceerde kennis zonder zelf een navenante inspanning te leveren. Dat deze vorm van parasitair gedrag de mondiale productie van wetenschappelijke kennis in gevaar brengt, kan een regering weinig schelen. Wellicht neemt men aan dat grote landen zoals de Verenigde Staten hun financiering van wetenschappelijk onderzoek op peil zullen houden. Het kleine Nederland kan dan wetenschappelijk parasiteren op de VS evenals het dat doet op militair gebied.

Dit lijkt de gedachte te zijn die de economen van het Centraal Planbureau verwoorden in enkele onschuldig klinkende zinnetjes van CPB document 012 (2001). Ze betogen dat verhoging van uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek niet direct voor de hand ligt. Een van de argumenten is dat een klein land als Nederland nauwelijks in staat zal zijn doorbraaktechnologie te creëren, zodat de balans moet verschuiven van de productie naar de diffusie van kennis. Met andere woorden: Nederland moet zich er meer op richten kennis die elders wordt geproduceerd thuis toe te passen (diffusie) en een `free-rider' te worden.

Het probleem is evenwel dat men hoogwaardige kennis die geproduceerd wordt aan het front van de wetenschap niet tijdig kan opsporen of toepassen wanneer men niet zelf over hoogwaardige onderzoekscapaciteit beschikt, zowel in termen van instituties als in termen van individuele onderzoekers. Veel kennis komt nooit in de vorm van publicaties beschikbaar. Het is `tacit knowledge', die geïncorporeerd is in onderzoekers. Uitwisseling van kennis is dan alleen mogelijk door onderzoekers uit te wisselen. Wanneer een land als Nederland geen onderzoeksproductie op topniveau instandhoudt, zal ook de kennisdiffusie op topniveau niet lukken. Het land zal in de mondiale wetenschappelijke wedloop steeds verder achterblijven.

Is dat erg? Dat hangt ervan af hoe men de baten van wetenschappelijk onderzoek waardeert. Allereerst kennen we zuiver economische baten. Zoals talloze studies laten zien, zijn de economische baten van overheidsgefinancierd onderzoek aanzienlijk. In een recent OESO document (14 juni 2001) wordt betoogd dat landen die meer aan wetenschappelijk onderzoek uitgeven ook meer profiteren van elders ontwikkelde technologieën.

Niet alleen overheidsgefinancierd onderzoek is economisch gezien rendabel; dit geldt ook voor onderzoek in bedrijven. Een analyse van de duizend grootste Amerikaanse ondernemingen toont aan dat bedrijven die meer uitgeven aan research and development over een lange periode ook meer rendement behalen. Het bezuinigen op onderzoek door bedrijven lijkt dus ingegeven te zijn door de wens van optie-verkrijgende managers om op korte termijn de aandeelhouderswaarde van de onderneming te vergroten.

Ondernemingen zullen overigens altijd te weinig investeren in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. De reden is dat, ofschoon één fundamentele vinding zoals de transistor een economische waarde genereert die wereldwijd decennia onderzoek kan bekostigen, het onmogelijk is om zo'n wetenschappelijke vinding te voorspellen. Daarom blijft het doen van wetenschappelijk onderzoek voor bedrijven economisch gezien riskant: het is altijd mogelijk dat er te weinig uitkomt.

Gezien de onvoorspelbaarheid en het lokale economische rendement van fundamenteel onderzoek is het gerechtvaardigd dat de overheid substantieel bijdraagt aan de financiering ervan.

Hoeveel moet de Nederlandse overheid dan uitgeven aan de financiering van onderzoek? Dit hangt af van onze nationale ambities. Volgens de nota De kenniseconomie in zicht heeft Nederland op economisch gebied de aspiratie om tot de kopgroep van Europa te behoren.

In de Verenigde Staten geven overheid en bedrijfsleven samen tussen 2,5 en 2,8 procent van het bbp uit aan wetenschappelijk onderzoek, in Japan tegen de 2,9 procent. Het gemiddelde in de Europese Unie schommelt rond de 1,8. In Nederland zakte het van 2,2 procent in 1987 naar 1,77 in 1996, waarmee Nederland zelfs onder het gemiddelde van de Europese Unie verzeild raakte. We kunnen concluderen dat Nederland om zijn economische ambities waar te maken de investeringen in wetenschappelijk onderzoek aanzienlijk moet verhogen. Het poldermodel is aardig om loonstijgingen beperkt te houden. Voor het opvoeren van de arbeidsproductiviteit is wetenschappelijk onderzoek cruciaal en daar zal het de komende decennia om gaan.

Minister Zalm pleegt de zwartepiet bij het bedrijfsleven te leggen. Van de totale uitgaven aan research en development in Nederland betaalt de overheid een relatief groot aandeel (rond 40 procent), groter dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten (30 procent). Dus, zegt Zalm, betaalt de Nederlandse overheid genoeg aan wetenschappelijk onderzoek. Deze argumentatie lijkt mij dubieus. Het universitaire onderzoek behoort in de Verenigde Staten gedeeltelijk tot de privé-sector, terwijl in Nederland universiteiten door de overheid worden gefinancierd. De percentages zijn daarom bedrieglijk. Bovendien alloceren multinationale bedrijven hun onderzoekscapaciteit in toenemende mate in landen die over een excellente nationale infrastructuur voor onderzoek beschikken. Gezien het Nederlandse staatsmonopolie op universitair onderzoek is het een verantwoordelijkheid van de overheid om ons land op dit punt concurrerend te maken.

Ik denk niet dat we het aan ministers Zalm en Hermans of hun opvolgers over kunnen laten de Nederlandse infrastructuur voor onderzoek op het niveau van de wereldtop te brengen. Daarom pleit ik er krachtig voor een aparte minister voor Onderzoek op te nemen in het volgende kabinet. Dit is al gerechtvaardigd wanneer men kijkt naar de economische baten van wetenschappelijk onderzoek. Maar de waarde van onderzoek overstijgt het economisch nut. Op veel terreinen is toename van wetenschappelijke kennis wezenlijk voor het welzijn van de mensheid. Bovendien is de ontwikkeling van de wetenschap tijdens de laatste vier eeuwen het grootste cultuurgoed dat de mensheid ooit heeft voortgebracht.

Dr. H. Philipse is hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.

De uitkomst van wetenschappelijk onderzoek blijft altijd ongewis