Europa moet ophouden met klagen over Bush

Toen vorige week in Europa steeds luidere kritiek klonk op de toespraak van president Bush over `de as van het kwaad', moest ik denken aan een avond die ik bijna twintig jaar geleden doorbracht in de flat van een sovjetdissident in Moskou.

Dat was vlak nadat president Ronald Reagan zijn beroemde toespraak had gehouden waarin hij de Sovjet-Unie wraakte als een `rijk van het kwaad'. Algemeen werd in die tijd gedacht dat Reagan een domme blunder had begaan, een typisch uitvloeisel van zijn cowboyversie van het conservatisme.

Hoe anders werd in Moskou aangekeken tegen die toespraak over het `rijk van het kwaad'. Ik was die avond te gast bij een Russische professor die alles had verloren – zijn werk, zijn privileges, de mogelijkheid om te reizen – omdat hij zijn twijfel had durven uiten over de communistische heersers.

Hij richtte zich tot mij, een Amerikaanse bezoeker, en zei iets wat ik nooit meer ben vergeten: ,,Hoe is het mogelijk dat de Verenigde Staten een president hebben gekozen die de waarheid over de Sovjet-Unie durft te zeggen? We dachten dat Amerika, met al zijn geld, decadent was geworden. Maar nu hebben jullie ons bij onze ware naam genoemd'', zei hij.

Ik heb Reagan daarna nooit meer helemaal met dezelfde ogen bekeken. Juist door zijn naïviteit had hij met zijn opmerking een grens doorbroken. Hij had gewone Russen en Oost-Europeanen de hoop gegeven dat het communisme niet blijvend zou zijn. Binnen tien jaar was het `rijk van het kwaad' verdwenen.

Afgelopen week leek ieder weldenkend mens in Europa ervan overtuigd dat ook Bush weer zo'n domme Amerikaanse blunder had begaan. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, vatte de Europese kritiek samen toen hij het antiterrorismebeleid van Bush ,,simplistisch'' noemde. Maar net als in 1983 bij Reagan lijken de Europeanen ernaast te zitten. Om te beginnen bevond het echte gehoor voor de uitspraak over de `as van het kwaad' zich niet in de spiegelgangen van Quai d'Orsay, maar onder de gewone Iraniërs die in de onverharde stegen van Zuid-Teheran wonen.

En het verhaal van Bush was ook allerminst `simplistisch' maar ging in op misschien wel het meest subtiele en moeilijke thema van dit decennium: hoe kunnen we een politieke verandering in Iran en Irak bevorderen. (Laten we Noord-Korea maar even vergeten – het was een beetje retorische overkill om dat land bij de `as' te rekenen.) Maar zal het ook werken? Dat is de pragmatische toets waaraan het beleid van Bush dient te worden afgemeten. En volgens die toets is sprake van een aantal ernstige problemen.

Laten we beginnen met Iran. De regering-Bush lijkt van mening dat Iran in een pre-revolutionaire toestand verkeert. Daarom bevatte de toespraak van Bush een uithaal naar ,,een paar ongekozen mensen die de hoop op vrijheid van het Iraanse volk onderdrukken''.

Regeringsfunctionarissen wijzen op de golf van onrust onder de bevolking die Iran de afgelopen paar jaar heeft overspoeld – uiteenlopend van dissidente mullahs in Qom, stakende onderwijzers, tot de `voetbalrelschoppers' die de laatste tijd de straat op zijn gegaan na kwalificatiewedstrijden voor het wereldkampioenschap. Ze merken op dat na 11 september in Noord-Teheran door pro-Amerikaanse betogers marsen met kaarslicht zijn gehouden.

De stelling van Bush is dat het even weinig zin heeft om een verbond te sluiten met een halfzachte hervormer als de Iraanse president Mohammad Khatami, als het zin zou hebben gehad om begin jaren tachtig bij de eerste hervormingspogingen in de Sovjet-Unie Joeri Andropov te omarmen. Je kunt beter de echte revolutionairen aanmoedigen.

Het praktische probleem met deze stelling is dat ze gevaarlijk is – niet alleen voor de Iraanse revolutionairen maar ook voor de Verenigde Staten. Het sovjetcommunisme is uiteindelijk gevloerd door een combinatie van wortel en stok. De Verenigde Staten hebben de sovjetdissidenten voor een deel gevoed door de deur open te houden. Zelfs Reagan bleef zakendoen met de communisten in Moskou – door in het IJslandse Reykjavik een vergaand wapenbeheersingsakkoord te sluiten.

Het grootste gevaar is de komende maanden dat Iran zich zal ontfermen over de restanten van de Al-Qaedanetwerken en die opneemt in zijn nu al machtige wereldomvattende terroristische infrastructuur. Dat hebben de Iraniërs ook gedaan met de Al-Fatahnetwerken van Yasser Arafat nadat hij in 1982 door de Israëliërs uit Beiroet was verdreven. Dat heimelijke verbond was verantwoordelijk voor de verwoesting van twee Amerikaanse ambassades en een marinierskazerne en voor de ontvoering van enkele tientallen Amerikaanse gijzelaars.

Ook het doel van Bush om in Irak Saddam Hussein ten val te brengen is lofwaardig, maar oneindig moeilijk. En het probleem wordt nog gecompliceerd door de zucht van deze regering om iedereen tegelijk de oorlog te verklaren. Bush lijkt in Irak te mikken op volksopstanden in het Koerdische noorden en het sjiïtische zuiden – onder dekking van Amerikaanse strijdkrachten die gestationeerd zijn in Turkije en Koeweit. De Revolutionaire Garde van Saddam Hussein zou uit zijn kazernes worden gelokt om de opstanden neer te slaan – en zo kwetsbaar worden voor de Amerikaanse luchtmacht, à la Afghanistan.

Het is een prima plan, alleen zijn er twee problemen – Iran en Saoedi-Arabië. Het plan gaat stilzwijgend uit van stabiele Amerikaanse betrekkingen met die twee belangrijke mogendheden in het gebied. Helaas zijn dit nu juist de landen die de regering-Bush de laatste tijd uit alle macht tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Zo zijn er al berichten dat de Verenigde Staten op grond van de gespannen betrekkingen militaire uitrusting uit Saoedi-Arabië beginnen weg te halen.

Er is niets `simplistisch' aan de doelstellingen van president Bush. Die zijn niet alleen lofwaardig voor de Verenigde Staten, maar ook voor hun Europese bondgenoten. Het zou fijn zijn als de Europeanen ophielden met klagen over Amerikaanse arrogantie en eens opbouwend advies gingen geven. Dat is nodig.

David Ignatius is columnist.

© LAT-WP Newsservice