Depolitisering als hogere politiek

Oud-minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo, die straks namens Nederland zitting gaat nemen in de conventie over de toekomst van Europa, is een man die houdt van paradoxen. Althans: hij ziet ze overal.

Hij zal dus genoegen beleven aan de stelling dat Nederlands streven naar een zekere mate van depolitisering van de Europese samenwerking via communautaire besluitvorming allesbehalve getuigt van een apolitieke benadering. Integendeel: in feite is dit streven naar depolitisering juist een kwestie van `hogere politiek'.

Deze stelling verdedigt mr. A.H.J.W. van Schijndel in een artikel in het maandblad Openbaar Bestuur (december 2001), en op grond van deze stelling kritiseert hij enkele voorstellen die de Nederlandse regering in haar notitie De toekomst van de Europese Unie heeft gedaan.

Deze voorstellen – initiatiefrecht voor wetgeving toekennen aan het Europese Parlement, invoering van individuele verantwoordelijkheid van leden van de Europese Commissie, en rechtstreekse verkiezing van de voorzitter van die Commissie – leiden volgens hem tot politisering van de Europese samenwerking en zijn dus niet in het Nederlands belang.

Laten we deze voorstellen (en Van Schijndels kritiek erop) even rusten en terugkeren tot de stelling zelf, waar veel waars in zit. Immers, kleine landen hebben er belang bij dat de internationale samenwerking zoveel mogelijk berust op het recht en niet op een machtsverhouding tussen de aan die samenwerking deelnemende landen. In het laatste geval trekken de grote landen meestal aan het langste eind.

Vandaar het Nederlandse streven de Europese samenwerking zoveel mogelijk los te houden van die machtsverhoudingen, dus te depolitiseren. Immers, politiek is altijd strijd om macht. Nederland heeft dan ook de Europese integratie altijd gezien als een rechtsgemeenschap-in-wording, niet in de eerste plaats als een politiek project, want daarin zouden de besluiten doorgaans genomen worden op grond van de onderlinge machtsverhoudingen.

Nederland heeft zelfs eens een conceptie voor zo'n gedepolitiseerd Europa ontwikkeld. Dat was in het najaar van 1973, toen het kabinet-Den Uyl de conceptie van het `civiele Europa' lanceerde. Het was vooral de toenmalige staatssecretaris voor Europese Zaken, Brinkhorst, die zich daarvan een vurig pleitbezorger betoonde. Waar kwam dat `civiele Europa' op neer? Luister:

,,Europa als civiele macht, niet in de zin van het machtsspel der grote mogendheden, maar veeleer door zijn bijdrage aan de wereldomvattende ontwikkeling, door middel van constructief beleid op het gebied van handel en hulp, en aan een verstandig beheer van de natuurlijke hulpbronnen, door een `voorbeeldige' verbetering van de kwaliteit van het leven'' enzovoort, enzovoort.

Een beetje onaardig (maar niet helemaal onjuist) samengevat: Europa werpt zich op handel en hulp, op het milieu, op de kwaliteit van het leven, op sociale rechtvaardigheid, en laat het machtsspel, waaraan het zijn handen vuil zou kunnen maken, aan de `grote mogendheden' – Amerika en de Sovjetunie – over. Ik noemde het toentertijd een `lieve conceptie'. Geen wonder dat we er nooit meer iets van gehoord hebben – vooral omdat er Europese landen zijn waaraan dit soort denken volstrekt vreemd is.

Maar dat wil niet zeggen dat zo'n depolitisering van de internationale politiek niet in het belang van Nederland als kleine mogendheid zou zijn. En niet alleen in zijn belang, ook in zijn traditie. Zelden heeft Nederland, ook toen het nog een grote mogendheid was, van harte meegedaan aan het Europese machtsspel. Niet dat het principieel tegen oorlog was oorlog was toen de vorm waarin dat machtsspel zich meestal uitte maar zo'n oorlog moest dan toch liefst gevoerd worden om Nederlands handelsbelangen te waarborgen.

Die afkeer van machtspolitiek werd bijna gecanoniseerd in de status van neutrale mogendheid die Nederland na het verlies van België aanvaardde en ruim een eeuw lang (1830-1940) volhield. Maar ook in de status van bondgenoot, waartoe het na de Tweede Wereldoorlog overging, kwam de vrijwel onvoorwaardelijke afhankelijkheid die het jegens de Amerikaanse beschermer betoonde, eigenlijk op depolitisering neer.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor zijn Europese politiek, waarin het wantrouwig was (en is) jegens pogingen tot politieke, en zeker militaire, eenwording. Zijn ambitie gaat in feite niet verder dan, zoals Thijs Wöltgens in Socialisme en Democratie (januari 2002) schrijft: ,,profiteren van de Europese macht en toch een beetje neutraal blijven''. In elk geval is de keuze voor de Amerikaanse JSF geen teken van Europees engagement (de Belgische minister van Defensie had er dan ook, om die reden, kritiek op).

Maar het zijn misschien alleen de Scandinavische landen, met hun eveneens lange traditie van neutraliteit, die er ook zo over denken. Andere Europese landen hebben een heel ander verleden en, mede daardoor, een heel andere kijk op de Europese samenwerking – een kijk die sterk bepaald is door een besef dat het altijd de machtsverhoudingen zijn die doorslaggevend zijn. Dat besef kleurt, zo niet het doel dat hun voor Europa voor ogen staat, dan toch de middelen waarmee zij dat doel denken te bereiken.

Dat is geen reden voor Nederland om niet vast te houden aan het doel van de depolitisering, maar wil het bij anderen daar enigszins gehoor voor krijgen, dan doet het er goed aan, dit streven uit te leggen als een Nederlands belang, niet als een ideaal of beginsel. Want voor elkaars belangen hebben staten meestal wel begrip (zie de wijze waarop de Europese partners, vooral de grote, het Stabiliteitspact geïnterpreteerd, zo niet ontkracht, hebben ten gunste van een Duitsland in moeilijkheden), terwijl staten achter idealen en beginselen altijd belangen vermoeden. Het is inderdaad zelden dat een staat een ideaal of beginsel verdedigt dat strijdig is met zijn belang.