Miloševic

Het gewone leven gaat door, ook in de nabijheid van Miloševic.

We zitten voor de met kogelvrij glas gepantserde rechtszaal een soort aquarium waarin Miloševic over enkele minuten zal plaatsnemen. Buitenlandse verslaggevers begroeten elkaar als oude bekenden.

,,Hoe is het met Peter'', vraagt een Française, ,,is hij al getrouwd?''

,,Nee'', zegt de Engelsman.

,,Heeft hij een relatie?'' vraagt ze.

,,Nee'', zegt de Engelsman.

,,Dus hij is niet gelukkig?''

Inmiddels is Miloševic tussen zijn bewakers binnengekomen, aktetas in de rechterhand. Hij kijkt even, zonder nieuwsgierigheid, naar ons, de toeschouwers achter het glas, en gaat zitten. Boven onze hoofden hangen tv-schermen, waarop we hem ook kunnen zien, maar daar is de kleur van zijn gezicht licht roze. In werkelijkheid is hij vaalbleek, gevangenisbleek.

Op deze eerste dag van zijn rechtszaak hoeft Miloševic nog niets te zeggen. Hij hoeft alleen maar te luisteren, en zelfs daar zal niemand hem toe verplichten. Maar wat moet hij dan? Alleen al om zich een houding te geven, kan hij weinig anders. Hij weet dat enkele honderden mensen hem voortdurend beloeren, elke beweging wordt geregistreerd.

Misschien gaat hij daarom zo vaak verzitten. Achterover leunen, hand op de knie, naar de punt van de stoel, naarvoren buigen alsof hij iets gaat zeggen, hand tegen de kin, een slokje nemen, morrelen aan de monitor voor hem.

Is hij werkelijk geïnteresseerd in wat er gezegd wordt? Ongetwijfeld. Hij maakt niet zonder reden steeds aantekeningen. Maar zijn houding heeft iets tweeslachtigs. Hij veinst nonchalance, hij doet alsof hij boven dit gedoe staat. This tribunal is a false tribunal. Daarom kijkt hij regelmatig op zijn gouden horloge. Hij wil de indruk wekken dat hij de situatie volledig meester is.

Eigenlijk doet hij nog steeds alsof hij de baas is, zegt mijn collega Petra de Koning. Ja, zo is het. Miloševic kan elk moment orders gaan uitdelen, zijn lichaamstaal is daar nog helemaal op ingesteld. Zó moet hij ook kantoor hebben gehouden in Belgrado. Een knikje hier, een knor daar, een telefoongesprek zonder groet. Zijn omgeving moest aan een paar woorden genoeg hebben.

De omgangsvormen van iemand die het summmum van macht heeft bereikt. En macht, alleen maar macht, was wat hem dreef, zal de aanklager zeggen. Hij had geen idealen, hij was ook geen racist, hij wilde vooral dat de mensen beefden als ze aan hem dachten.

Zijn gezicht verkeert in een permanente staat van chagrijnig misprijzen. De mond altijd een bittere, schuine streep. Hij haat het hele zooitje. De aanklagers moeten hem larmoyant en pathetisch toeschijnen ze zijn dat ook af en toe –, de rechters zijn voor hem clowns in rood-zwarte pakken en onder de toeschouwers is er maar één, een Servische vriend, die hem interesseert. Hem zendt hij twee keer, bij het verlaten van de zaal, een vriendelijke glimlach toe: een waterige zon over een bar landschap.

Hoe voelt hij zich wérkelijk in dat cocon van onbeschrijfelijke eenzaamheid? Beseft hij dat zijn situatie hoogstwaarschijnlijk nooit meer een andere zal zijn: hij tegenover de rest van de wereld? Of handhaaft hij zich op basis van louter zelfbedrog?

Eén ding staat vast: spijt en schuld zal hij nooit tonen. Hij wil nog veel gaan zeggen, maar excuses zullen daar niet bij zijn.

De schrijnendste momenten op deze dag zijn de vertoningen van een aantal videofragmenten door de aanklager. Op een van die fragmenten is de verwoesting van Vukovar te zien en de deportatie van de bewoners. Miloševic kijkt met onbestemde blik over zijn monitor heen. Het raakt hem niet. Allemaal propaganda, zou hij zeggen áls hij iets zou zeggen.

Dat andere fragment vindt hij interessanter. Hij spreekt als jonge leider bedreigde Serviërs in Kosovo toe. De mensen wachten op zijn steun. Als het fragment voorbij is, kijkt hij quasi-verbouwereerd om zich heen. Alsof hij wil zeggen: zien jullie hoe ze me nodig hadden?

De zaal lacht. Met een gevoel van geruststelling.