Europa moet defensie eens op orde brengen

De enige manier voor Europa om in militair opzicht serieus genomen te worden door de VS is eindelijk ernst te maken met een drastische rationalisatie van de militaire bestedingen, meent A. van Staden.

Even leek het erop dat 11 september het cement zou verschaffen dat het gebouw van de Atlantische samenwerking van een nieuw fundament kon voorzien. Sinds het wegvallen van de vroegere sovjetdreiging is de NAVO op zoek geweest naar een nieuwe rechtvaardiging van haar voortbestaan. Nadat het bondgenootschap in 1999 ter gelegenheid van zijn 50-jarig bestaan een nieuw strategisch concept had aanvaard waarvan de strijd tegen het terrorisme al een onderdeel vormde, leverden de aanvallen op New York en Washington ogenschijnlijk het bewijs dat de NAVO haar nut kon bewijzen door het grondgebied van de aangesloten landen te vrijwaren van nieuwe aanslagen.

Intussen weten we beter.

In de strijd tegen de Talibaan en Al-Qaeda hebben de Verenigde Staten het bondgenootschap grotendeels links laten liggen. De merkwaardigheid heeft zich voorgedaan dat de Amerikaanse regering de Europese bondgenoten in feite heeft belet de verplichtingen na te komen die voortvloeiden uit het van toepassing verklaren van artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag, te weten de wederzijdse bijstandclausule.

Waarom heeft de Amerikaanse regering besloten de militaire campagne in Afghanistan nagenoeg op eigen kracht te voeren? In de eerste plaats omdat zij allergisch was geworden voor het vooruitzicht van de kritiek die de bondgenoten zonder twijfel zouden uitoefenen op de wijze waarop de strijd in dat land moest worden gevoerd. De gedachte dat zelfs precisiebombardementen met de modernste wapens onvermijdelijk slachtoffers onder onschuldige burgers zouden maken, was voor vele Europeanen onverdraaglijk. Dat deed de VS, anders dan ten tijde van de Golfoorlog en het conflict om Kosovo, afzien van een `coalitieoorlog'. Was het niet Eisenhower die had gezegd dat zijn achting voor Napeolon aanzienlijk was gedaald, toen hij aan den lijve ondervond welke hindernissen moesten worden overwonnen om in een oorlog met bondgenoten tot overeenstemming te komen?

De tweede reden is gelegen in de tekortkomingen van de Europese strijdkrachten. Naar Amerikaanse mening waren de wapensystemen van in het bijzonder de Europese luchtmachten zo verouderd, dat zij weinig of niets konden toevoegen aan wat de Amerikanen zelf in de strijd brachten. Beide redenen beloven weinig goeds over de toekomst van het bondgenootschap.

De verhouding tussen Amerika en Europa is ook daarom zorgwekkend geworden, omdat gebleken is hoezeer het wereldbeeld van de regering-Bush en in het bijzonder haar opvattingen over de aard van de terroristische dreiging verschillen van die van de meeste Europese leiders. Het zou te eenvoudig zijn om te beweren dat de Amerikanen slechts kijken naar de symptomen van het terrorisme, terwijl in ons werelddeel veel meer aandacht bestaat voor de diepere oorzaken daarvan.

Toch is het onmiskenbaar dat in het Amerikaanse beleid een sterke nadruk wordt gelegd op het eenzijdig en automatisch gebruik van tegengeweld. Dat het Amerikaanse wereldbeeld thans een sterk moralistische inslag heeft, staat een zakelijke oplossing van problemen met landen als Iran en Noord-Korea (door president Bush gerekend tot de `As van het Kwaad') in de weg. Wat de relatie met Irak betreft is er in zoverre weinig veranderd ten opzichte van de situatie van ruim tien jaar geleden, dat de Amerikaanse regering nog steeds geen levensvatbaar alternatief heeft gevonden voor het bewind van Saddam Hussein.

Wat dient de houding van de Europese leiders te zijn? Sommige Europese leiders, de Franse natuurlijk voorop, zijn zich in hun reactie op Bush' State of the Union te buiten gegaan aan heilige verontwaardiging over de reductie van complexe internationale vraagstukken tot de boze intenties van een beperkt aantal landen. Dat lijkt een weinig vruchtbare benadering. De kans dat de Amerikaanse regering zich iets gelegen zal laten liggen aan kritiek van Europese kant moet als nihil worden beschouwd, zolang de Europese landen zelf niet de volledige verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het scheppen van meer veiligheid in de wereld.

Daarvan is nog steeds geen sprake omdat deze landen in militair opzicht weinig hebben bij te dragen aan gemeenschappelijke actie. De kloof in kwaliteit tussen de Amerikaanse en de Europese strijdkrachten wordt breder en breder. De oorzaak is niet moeilijk te achterhalen. Terwijl de Amerikaanse defensiebegroting ongeveer tweemaal zo groot is als het totaal van alle Europese defensiebegrotingen, ligt het niveau van investeringen in de ontwikkeling van nieuwe wapens in de VS tenminste viermaal hoger dan in Europa.

De Europese burgers verkeren niet in de stemming bij hun leiders aan te dringen op een flinke verhoging van de defensiebegroting. De enige manier om te voorkomen dat Europa verder afglijdt in de richting van machteloosheid, met alle frustratie van dien, is eindelijk ernst te maken met een drastische rationalisatie van de militaire bestedingen. Door meer integratie van nationale strijdkrachten en militaire infrastructuur te bewerkstelligen, kunnen meer gelden worden vrijgemaakt voor noodzakelijke investeringen in onder meer strategische transportcapaciteit en wapens die met veel precisie over grote afstanden naar doelen kunnen worden geleid.

Waarom zouden die Europese regeringen die hun militaire zaakjes nog enigszins op orde hebben, niet het initiatief kunnen nemen scherpe kwaliteitseisen te formuleren waaraan strijdkrachten van landen moeten voldoen, willen deze landen überhaupt kunnen deelnemen aan de uitvoering van het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid? Een beleid dat sinds de Eurotop in Laken, afgelopen december, `operationeel' heet te zijn, maar dat nog steeds de trekken van een Potemkin-dorp heeft.

Dr. A. van Staden is directeur van het Instituut Clingendael en deeltijdhoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit Leiden.