Populist van de elite

Mogen we intussen misschien ook een beetje opgelucht zijn dat de operette van Pim Fortuyn, onze redder, is ontploft in een confetti van persverklaringen, zwaaiende armen uit limousineraampjes en complottheorieën?

Van verschillende kanten wordt er sinds zijn publicitaire verbranding op gewezen dat hij misschien overdreef of onterecht generaliseerde, maar dat hij toch maar mooi een punt had met zijn aanklachten tegen maatschappelijke verloedering, ongebreidelde immigratie en de indolentie van de politieke kaste die dit land in een paarse houdgreep heeft. Hij bracht tenminste spanning in de campagne en, afgaande op zijn snelle succes, mobiliseerde een ongenoegen dat kennelijk in brede lagen van de bevolking leeft.

Daar zit iets in. Natuurlijk, het was niet verheffend om te zien hoe de grote partijen zich na zijn, schrikbarende, interview in de Volkskrant als een roedel wolven op Fortuyn stortten – Rosenmöller met zijn pavlov-reflexen over extreem-rechts, Dijkstal die zich opeens het nazisme en de godsdienstoorlogen wist te herinneren, en Melkert die Nederland als een omgekeerde Colijn opriep om wakker te worden. Maar aan de andere kant, waarom ook niet? Het gaat tenslotte om macht, niet om een oefening in fijngevoeligheid.

En inderdaad, sommige media lieten zich weer van hun meeloperigste kant zien – van Job Frieszo die zaterdag in het 8-uur Journaal met het partijprogramma van de Centrum Democraten begon te wapperen, tot Fons de Poel een dag later in Netwerk, die tijdens zijn Canossa-interview met Fortuyn geen moment naliet om naar de kijker te bekkentrekken dat hij heus wel wist dat hij tegenover een idioot zat. Maar ach, sinds wanneer hebben journalisten zich wèl kunnen inhouden bij het zien van een wrak langs de snelweg? Eerst kijken en dan snel optrekken: dat is het devies. Bovendien, in dit geval maakt het wrak alweer ronkende vaart op de invoegstrook.

Niets nieuws onder de zon, zou je zeggen. Het nieuwe was eerder, dat hier eindelijk de aanval werd geopend op een populist op wie een deel van de lagere en middenklasse, maar ook van de elite, de hoop had gevestigd dat hij nu eens ongegeneerd zou durven zeggen `waar het op staat' in dit land, een kunst die paars heeft verkwanseld in acht jaar technocratisch bestuur en photo-opportunities met barbecue en teamsport. Een dag voor zijn val werd Fortuyn nog op televisie gevierd in het ondernemersprogramma van Harry Mens, ook zo'n selfmade man, die niet naliet `Pim' te vragen hoe het met hem ging, en of hij wel voldoende at. Aan Harry zou het niet liggen, want een `prachtige' lunch en een glas witte wijn stonden al klaar.

Maar waar stáát het precies op, met `Pim'? Zijn aantrekkingskracht, zeker als hij zich aandient met een eigen lijst, schuilt er natuurlijk in, dat hij problemen als de wachtlijsten in de gezondheidszorg, de criminaliteit, en boven alles immigratie en integratie, verwoordt in een manhaftig idioom dat steeds meer gemeengoed begint te worden. Zijn tirades tegen de `Ali Baba's', tegen de achterlijke islam, tegen de Marokkaanse criminelen die nooit elkaar maar alleen ons beroven, passen bij een eigentijdse formulering van politieke, sociale en economische problemen in culturele termen: het is nu eenmaal `hun cultuur' die `onze cultuur' bedreigt. Het is een refrein dat overal klinkt, ook buiten kringen van Leefbaar Nederland, van publieke intellectuelen in Buitenhof tot de puntsgewijze alarmberichten die het dagblad Trouw sinds elf september afdrukt. Het zijn tekenen van een autochtone meerderheidscultuur die de rijen sluit en haar verwaarlozing door de regenten in Den Haag gebruikt om onderdrukte ergernis en angsten de vrije loop te laten.

Het verwerpelijke van dat culturele idioom is, dat het helderheid voorwendt waar juist troebelheid aan de orde van de dag is. Neem de bedreiging door de islam, hét punt waarmee Fortuyn de gevestigde politiek wist te passeren, en dat hij moeiteloos koppelt aan criminaliteit. De Marokkaanse straatrovers op wie Fortuyn doelt, zijn niet bepaald brave moskeegangers die aan de voeten zitten van de imam. Ze zijn eerder `moslim' zoals de ontregelde jaren zestig-jeugd met hun genaaide portretjes van Che Guevara op het legerjack `tegencultureel' was: een vage, nieuw gecreëerde identiteit, aangemeten om zichzelf tot held te maken en het establishment tot razernij te brengen. Zeker kan dat een maatschappelijk probleem opleveren – dat is het al – maar met zelfingenomen aanklachten tegen de achterlijkheid van de islam wordt een oplossing geen stap dichterbij gebracht.

Integendeel. Als er uit alle rumoer van de afgelopen maanden iets duidelijk is geworden, is het wel hoe bedrieglijk het is om onbekommerd te schermen met `de moderniteit', `de Verlichting', `de islamitische cultuur', en al die andere Grote Woorden die nu worden geproefd door onze cultuurbeschouwers. De huidige `politieke' islam is juist het product van een halve modernisering, van sociale mobiliteit en de moderne stad, en staat veel dichter bij de Baader Meinhof Groep dan bij de middeleeuwse Assassijnen. Het is allemaal eerder reden om de dynamo van onze eigen pluralistische samenleving flink harder aan te trappen, dan om op de rem te gaan staan met jeremiades over Ali Baba.

Onderbelicht gebleven in het woeste interview dat Fortuyn aan de Volkskrant gaf, is overigens zijn identificatie van moslims met gereformeerden. Die hebben ook zo'n onhaalbaar stelsel van normen en waarden dat ze wel móeten gaan liegen, vond hij. Uit die vergelijking valt op te maken dat Fortuyn nog steeds benauwd is voor zedenmeesters die hem als privé-persoon beperkingen willen opleggen. Terecht. Maar daarom had hij artikel 1 van de Grondwet, dat de staat verbiedt te discrimineren op grond van seksuele geaardheid, juist moeten verdedigen, in plaats van het te hekelen als een belemmering van de vrijheid van meningsuiting. Door dat wel te doen, heeft hij zich laten kennen als een lid van de geëmancipeerde generatie die de ladder optrekt voor anderen zodra hij zelf eenmaal op het dak staat. Een houding die hij deelt met talrijke andere verdedigers van `onze cultuur'.