Mormon City

Hij wenste me een goede morgen. Want we waren collega's. Hij was sfeerverslaggever van de Deseret News, de mormonenkrant van Utah.

Of ik genoot van de Olympics en vooral wat ik vond van de manier waarop het Amerikaanse publiek zich tijdens de wedstrijden gedroeg. Het was een officieel interview, want hij pakte zijn blocnote en schreef mijn naam op en die van de krant die ik tijdens de Winterspelen vertegenwoordig. Het kostte me enige moeite hem uit te leggen dat mijn krant niet Handelsblatt heet, zoals op de grote perskaart staat vermeld die elke dag als een molensteen om mijn nek hangt, maar NRC Handelsblad. Dus ik schreef over economie, opperde mijn aardige collega van de mormonenkrant. Nee, liever niet. Want met economie wil ik niets te maken hebben en geld is de bron van alle kwaad, citeerde ik mijn favoriete filosofen. Van economie houd ik me dus verre, vervolgde ik. Daar kon mijn collega zich wel in vinden. Maar over die Amerikanen die hier zo staan te schreeuwen, wat ik daar nou van vond. Ik begon met te zeggen dat veel sporters dat wel leuk vinden, want wie sport wil worden toegeschreeuwd en aangemoedigd – anders heeft sporten geen zin. Maar wat ik op de schaatsbaan, de skipiste en op de rodelbaan heb gezien, grenst aan waanzin. Hebben Amerikanen dan geen verstand? Zijn Amerikanen dan zo naïef? Het is een belediging voor serieuze topsporters zo benaderd te worden. Of ik de baseballsfeer herkende? Ja, zei ik. Als imbecielen laten de toeschouwers zich voorschrijven op grote lichtborden en door schreeuwlelijkerds van omroepers hoe en wanneer ze moeten juichen. Het gesprek duurde een half uur. Toen ik eindelijk tot rust was gekomen, vroeg mijn collega van Deseret News: gelooft u in God? Ja, zei ik. Maar als ik dit zie, denk ik: mijn God, ik ben u kwijt.