Er is ruimte genoeg voor grote nieuwe politieke groeperingen

Leefbaar Nederland en Pim Fortuyn zijn niet van het politieke toneel verdwenen. De problemen waarvan zij mede de uitdrukking vormen, zijn er immers nog volop. De kiezers zijn en blijven op drift, constateert Bram Peper.

Het kan niet genoeg gezegd worden: 1994 was hét revolutiejaar in de Nederlandse politieke geschiedenis. Nooit eerder hebben de grote(re) partijen zulke forse schommelingen in hun aanhang te zien gegeven. Het regerende CDA verloor in dat gedenkwaardige jaar 40 procent (!) van zijn kiezers, coalitiegenoot Partij van de Arbeid verloor 25 procent. De VVD maakte 40 procent winst en D66 maar liefst 100 procent. In 1994 raakten de Nederlandse kiezers definitief van God én de partij los. Het zou nooit meer worden zoals vroeger.

In 1998 won de Partij van de Arbeid meer dan 20 procent, de VVD bijna 25 procent, en verloor het CDA nog eens 15 procent en D66 meer dan 40 procent. De paarse coalitie als geheel won, maar D66, dat in 1994 Paars I mogelijk maakte, was de enige grote verliezer. D66 maakte de fout zoals de Partij van de Arbeid eerder deed bij haar grote verkiezingsnederlaag in 1981 – weer aan te schuiven bij Paars II. Partijen die grote verliezen lijden, moeten niet willen regeren. De uitzondering is dat tóch bijzondere kabinet Paars I.

In 1994 werd een ontwikkeling zichtbaar die al eerder was ingezet, maar na de val van de Muur in een versnelling geraakte. De groei van vrijheid en welvaart, meer informatie aan en ontwikkeling van de burgers, het wegvallen van klassieke klassentegenstellingen (ideologieën) én de ontkerkelijking, zorgden ervoor dat meer dan 50 procent van de kiezers zich heeft losgemaakt uit voorspelbare tradities. Het aandeel van wat partijen hun trouwe kiezers noemen als percentage van wat diezelfde partijen mogelijk aan kiezersgunst zouden kunnen verwerven, wordt steeds kleiner.

De conclusie is dat er – duurzaam – een enorm kiezerspotentieel is dat gevoelig is voor nieuwe benaderingen en nieuwe partijen. Door de personalisering van de politiek en de vrij eenvoudige toegang tot een macht aan media, is voor politieke nieuwkomers de drempel om tot de politieke arena toe te treden laag. Door de zeer grote omvang van de groep kiezers die hun politieke voorkeur – anders dan in opinieonderzoekingen – pas kort vóór of op de verkiezingsdag bepalen, is er in beginsel voldoende ruimte voor het ontstaan van grote, nieuwe politieke groeperingen. Leefbaar Nederland is (was?) daar een voorbeeld van.

De gestage en opmerkelijke groei van Leefbaar Nederland, kan tevens worden gezien als uitdrukking van een groeiende onvrede over de wijze waarop het publieke domein is georganiseerd en onderhouden, en wie daar – aan het eind van de dag – voor verantwoordelijk is. Dat `de mensen in het land' zich nog steeds tot `de politiek' richten mag als een lichtpunt worden gezien. Dat de paarse partijen zélf – in het vooruitzicht van verkiezingen – steeds meer afstand van elkaar en van de met elkaar geleverde prestaties nemen, vergroot het respect voor Paars II niet. Er is genoeg gepresteerd om niet voor weg te lopen. Dát uit te dragen, inclusief de zaken die niet zijn geslaagd, getuigt van politieke volwassenheid en respect voor de burgers.

De opmerkelijke ontwikkelingen van de afgelopen dagen – de verwijdering tussen (het bestuur van) Leefbaar Nederland en lijsttrekker Pim Fortuyn – betekenen nog lang niet het einde van de brede maatschappelijke onderstroom die een uitweg vond in deze nieuwe partij.

Wie Fortuyn maar een beetje heeft gevolgd, moet vaststellen dat hij in het inmiddels beroemde Volkskrant-interview niets, maar dan ook niets nieuws heeft gezegd. Daarom neemt hij daar ook terecht geen afstand van. Het bestuur van Leefbaar Nederland heeft kennelijk een periode van onoplettendheid gekend. Een beetje dom dus.

Wat Fortuyn is opgebroken, is dat hij de niet te loochenen spanning die bestaat tussen de artikelen 1 en 7 van de Grondwet – geplaatst voor een keuze – beslecht ten gunste van artikel 7. Hij staat daarin – voor wie de politieke en rechtstheoretische literatuur kent – niet alleen. Artikel 1 luidt: ,,Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke andere grond dan ook, is niet toegestaan.' De essentie van artikel 7 is: ,,Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om (...) gedachten en gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.'

Daarom vond Fortuyn het ook volstrekt belachelijk om die rare imam uit Rotterdam, die door zijn uitspraken over homoseksuelen de homoseksueel Fortuyn een zieke noemde, te vervolgen. En die imam maakte nog meer discriminerende opmerkingen. De kracht en betekenis van artikel 1 vormen vooral zijn normatieve lading, die het mogelijk maakt uitsluiting van (groepen) mensen tegen te gaan. Fortuyns `politieke gezindheid' (artikel 1) – neergeslagen in zijn openbare uitspraken, boeken en artikelen – roept als het ware om een toetsing aan de wet (artikel 7). Toch is – zoals onder meer senator prof. Erik Jurgens meermalen heeft betoogd – het openbare debat te verkiezen, een debat dat gaat over de inhoud en kwaliteit van de samenleving en het daarmee in verband te brengen beleid van regering en parlement.

En dat debat is nog maar aarzelend begonnen. Met welke idealen, met welke middelen en in welke verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger en overheid, willen we de orde en ordening in onze samenleving beïnvloeden? Leefbaar Nederland en Pim Fortuyn zijn niet van het politieke toneel verdwenen, omdat de problemen waarvan zij mede de uitdrukking vormen er nog volop zijn. De gulzige afstraffing die Leefbaar Nederland vanuit politiek Den Haag ten deel viel, was, naast terecht, opvallend opzichtig. Ook in 2002 – met als `verwarrende' aanloop de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart aanstaande – zullen de verkiezingen van 15 mei ongekende uitslagen te zien geven. De kiezers zijn en blijven op drift.

Een grondige herziening van het politieke stelsel is geboden. Wanneer wordt er nu werkelijk werk gemaakt van het inzicht dat er enige relatie moet bestaan tussen de volksvertegenwoordiger en het volk? Met andere woorden: dat de kiezers invloed hebben op de mensen die zij afvaardigen. Een ander kiesstelsel is daarvoor nodig. Maar uiteraard ook dat burgemeesters door het volk worden gekozen, en dat de overbodigheid van de Eerste Kamer wordt erkend. Voor het voortbestaan van politieke partijen (bewegingen) zijn staatkundige vernieuwingen ook noodzakelijk.

Want is het niet tekenend voor de volstrekte marginalisering van de invloed van (leden van) politieke partijen, dat voorzitters (leiders) het veld ruimen zonder dat de leden die deze mensen op hun congres hebben gekozen er (opnieuw) aan te pas komen? Via de media worden beslissingen aangekondigd of ingeluid.

Marijke van Hees, de toenmalige voorzitter van de Partij van de Arbeid, werd via het weekblad Vrij Nederland in de herfst van 2000 door het bestuur van de Partij van de Arbeid de laan uitgestuurd. Marnix van Rij, de bij de CDA-achterban gewaardeerde voorzitter, sneed in de herfst van 2001 zelf de band met zijn achterban door. En Jan Nagel schudt, met zijn bestuur, Pim Fortuyn van zich af. Plaats van openbaarmaking: het televisieprogramma Buitenhof. En nog diezelfde dag reageert Fortuyn, vredelievend, in het tv-programma Netwerk. De leden die zo nodig waren om de leiders te `kiezen' kijken het aan en hebben het nakijken. Toch is een ledencongres – als het moet – binnen een week bijeen te roepen. Een grotere onttakeling van politieke partijen is niet denkbaar.

Dr. A. Peper was burgemeester van Rotterdam en minister van Binnenlandse Zaken.