Recensie

Openhartig zelfportret van de vrije fysicus Freeman Dyson

Boekrecensie

Theoretisch natuurkundige schreef een prachtige autobiografie.

Brieven van Dyson aan thuis. Beeld uit besproken boek

De Engels-Amerikaanse natuurkundige Freeman Dyson schreef geen proefschrift, werd nooit hoogleraar, en kreeg ook geen Nobelprijs, maar desondanks is zijn onlangs verschenen autobiografie een must voor iedereen die meer wil weten over de ontwikkeling van de natuurkunde in de tweede helft van de twintigste eeuw. Dat komt omdat hij na de Tweede Wereldoorlog zo ongeveer overal was waar het ertoe deed en beschikte over ‘een buitengewone verzameling vrienden’.

Opgeleid als wiskundige in Cambridge biljartte hij met de wiskundige G.H. Hardy, discussieerde hij met de econoom Keynes over Newton en kreeg hij college van Paul Dirac over diens kersverse theorieën op het gebied van de kwantummechanica. Eenmaal vertrokken naar de Verenigde Staten werd hij – als dertigjarige! – voor het leven benoemd als onderzoeker op het Institute for Advanced Studies in Princeton. Die benoeming dankte hij aan een lange busrit, waarin hij ontdekte dat twee totaal verschillende theorieën die de interactie tussen materie en licht beschreven feitelijk identiek waren.

Omdat hij zo’n free agent was, kon hij het zich ook permitteren om zich met heel verschillende onderwerpen bezig te houden, van de natuurkunde van subatomaire deeltjes tot raketten voortgestuwd door kernexplosies, en van nieuwe astronomische technieken tot de nationale veiligheid. Of zoals hij het zelf zegt: „Princeton was goed voor mijn natuurlijke luiheid en om mijn maatschappelijk nut te vergroten.”

Dat hij over al die onderwerpen in geuren en kleuren kan vertellen, is te danken aan het feit dat hij, vanaf het moment dat hij het ouderlijk huis verliet om te gaan studeren en werken, zijn familie elke week een brief stuurde. Het zijn deze brieven uit de periode 1941-1978 die de basis vormen van Maker of Patterns. Ze zijn veelal integraal afgedrukt en voorzien van commentaar om gebeurtenissen en personen te kunnen duiden.

Geen geheimen

Het is een unieke vorm van levensbeschrijving, die goed werkt, omdat hij weinig verborgen houdt. Wanneer zijn eerste vrouw hem plotseling verlaat en hem met twee kinderen achterlaat, vertelt hij daar openhartig over, net als over de liefde die opbloeit tussen hem en zijn Duitse au pair en de latere problemen met zijn zoon George, die aan de drugs raakt en niet wil deugen.

Naast zijn gezinsleden spelen een paar collega’s over de hele periode die het boek beslaat een belangrijke rol. De eerste is Robert Oppenheimer, met wie hij een bijzonder complexe relatie had. Aan de ene kant was er sprake van rivaliteit en kon hij het bij Oppenheimer nooit helemaal goed doen, terwijl deze er wel voor zorgde dat hij zijn leven lang in Princeton kon blijven. Zo bieden Dysons brieven ondanks de vele autobiografieën die er over Oppenheimer zijn verschenen, toch weer nieuwe inzichten in diens gecompliceerde karakter.

Een heel ander type was Richard Feynman, de briljante natuurkundige die op zijn eigen unieke wijze „per vierkante minuut” meer diepe natuurkundeproblemen wist op te lossen dan ieder ander. Als Dyson hem vertelt dat hij en zijn collega’s ergens absoluut niet uitkomen, lost Feynman het raadsel armenzwaaiend bij het bord binnen twee uur op, „… het meest verbazingwekkende soort van bliksemsnelle berekening dat ik ooit heb gezien.”

Van dit soort anekdotes staan er talloze in dit prachtige Maker of Patterns. Toen Dyson zijn wiskundehoogleraar Hardy eens vroeg waarom hij alleen nog maar boeken schreef, antwoordde deze: „Jonge mensen moeten wiskundestellingen bewijzen, oude mensen schrijven boeken.” Het is te hopen dat deze 94-jarige nog tijd en energie heeft om ook zijn latere leven op dezelfde manier te beschrijven als hij in dit boek heeft gedaan.

    • Rob van den Berg