Chiracs `vroege' kandidatuur verrast niemand

Niemand twijfelde eraan, maar gisteren heeft hij het ook zelf bevestigd: de Franse president Jacques Chirac is kandidaat voor een tweede ambtstermijn.

,,Ja, ik ben kandidaat.'' Het hoge woord zat verstopt in een toespraak vol kritiek op het beleid van premier Jospin, maar het is er nu dan toch uit. Gisteren stelde Jacques Chirac, zittend president van Frankrijk, zich eindelijk kandidaat voor zijn eigen opvolging. Tijdens een werkbezoek in Avignon – ,,hoofdstad van het theater'', constateerde links onmiddellijk – en na lang aarzelen.

De vraag was niet óf hij zich kandidaat moest stellen, maar wannéér. Getrouwen uit zijn partij, de rechtse RPR, gaven hem de afgelopen tijd tegenstrijdige adviezen. Volgens de een stelt het Franse volk het niet op prijs als een zittende president of premier zich met zijn campagne bezighoudt in plaats van met het land – president Mitterrand stelde zich in 1988 pas één maand en twee dagen vóór de eerste ronde kandidaat, en won – de ander wees op peilingen waaruit juist een roep om duidelijkheid bleek.

Het laatste is niet de enige overweging geweest voor Chirac om nu, tien weken voor de eerste ronde, kleur te bekennen. Zijn belangrijkste rivaal, premier Jospin – tot op heden slechts `waarschijnlijk' en `beschikbaar' kandidaat – zal zich naar verwachting pas eind februari kandidaat stellen. Volgens de peilingen heeft Jospin, anders dan voorheen, op dit moment evenveel kans als Chirac. Het valt nog te bezien, maar volgens sommigen biedt Chiracs aankondiging de president een `psychologische' voorsprong.

Een andere reden is het succes in de peilingen van de `troisième homme', Jean-Pierre Chevènement, leider van de Mouvement des Citoyens (MDC). Hij is even vreemd en ongrijpbaar als zijn partij. Op het marxistische af links op het sociaal-economische vlak, maar ook op het nationalistische af rechts, als uitgesproken euroscepticus en als hoeder van Republikeinse waarden en van de erfenis van de Franse Revolutie.

Chevènement is daarmee een oer-Frans fenomeen: hij is een onversneden etatist, in linkse en rechtse zin, en spreekt dus zowel de linkse als de rechtse kiezer aan. Vooral in combinatie met een electoraat dat zelfs in het aan traditie gehechte Frankrijk op drift is geraakt en hoe langer hoe meer zwevende kiezers telt, is dat bedreigend voor Jospin en Chirac. Er zijn aanwijzingen dat Chevènement bij de eerste, maar toch vooral bij de tweede en zelfs bij de extreem-rechtse presidentskandidaat Jean-Marie le Pen stemmen wegtrekt. Zijn aftreden vorig jaar, als Jospins minister van Binnenlandse Zaken, wegens de in zijn ogen te vérgaande autonomie-akkoorden met Corsica, houdt daarmee zonder twijfel verband.

Die stap bood Chevènement nog een voordeel: hij had zijn handen vrij. Weliswaar was de start van zijn campagne, vlak voor de aanslagen van 11 september, ongelukkig, maar hij heeft wel al maandenlang kritiek kunnen leveren op zowel Jospin als Chirac en kunnen aandringen op hun kandidaatstelling, zodat het `democratische debat' zou kunnen worden gevoerd. Chirac kan dat vanaf deze week aangaan.

Er zijn nog andere redenen voor Chiracs `vroege' kandidaatstelling. Vorige week keerde Didier Schuller, sinds zeven jaar op de vlucht voor justitie, vrijwillig terug naar Frankrijk. De gewezen adviseur van de RPR, die wordt verdacht van betrokkenheid bij een omvangrijke smeergeld-affaire, kan onthullingen gaan doen over het mogelijke aandeel daarin van Chirac. De aankondiging van gisteren kan een vlucht vooruit zijn, temeer daar de onderzoeksrechter Eric Halphen, die de president vorig jaar vergeefs opriep te komen getuigen in dezelfde affaire en de magistratuur vorige maand uit frustratie vaarwel zei, begin maart een boek uitbrengt. Ook daarin kunnen voor Chirac pijnlijke onthullingen staan. De verschijning van het boek zal hoe dan ook gepaard gaan met veel media-geweld, zo heeft de uitgever al voorspeld.

Chirac deed gisteren zijn best de afgelopen jaren van economische voorspoed toe te schrijven aan de gunstige mondiale conjunctuur; premier Jospin had daar part noch deel aan gehad, integendeel, ,,het is niet normaal dat na vier jaar van economische groei [...] de armoede in ons land niet is afgenomen''. Hij hekelde de betutteling van overheidswege en nam het op voor de ,,individuele verantwoordelijkheid''. Ook zei hij ,,een beetje het gevoel'' te hebben dat Frankrijk ,,achterblijft bij de belangrijkste andere landen in Europa en de wereld'' – een bewering die zich slechts dankzij de vaagheid onderscheidt van een moedwillig verkeerde voorstelling van zaken: Frankrijk weet de terugval van de wereldeconomie redelijk goed het hoofd te bieden – in elk geval veel beter dan bij voorbeeld zijn belangrijkste handelspartner Duitsland.

En de staat van dienst van Chirac (69) zelf? Wiens kandidaatstelling links geenszins verbaasd heeft, omdat hij nu eenmaal `eeuwig kandidaat' is, hetzij voor het burgemeesterschap van Parijs, hetzij – voor de vierde maal – voor het presidentschap van de Republiek. Afgezien van de opdracht tot het nemen van nog enkele `laatste', internationaal zeer omstreden kernproeven in Polynesië, direct na zijn aantreden, is Chirac niet op veel krachtdadigs meer betrapt. Of het zou zijn funeste beslissing moeten zijn, in 1997, het parlement te ontbinden, waarna een linkse meerderheid het landsbestuur overnam. Sindsdien is het Élysée hoofdkwartier van de oppositie geweest.