Wie niet gelooft, moet dood

Herhaaldelijk was hij al dood verklaard, maar dit keer is het een feit: Antar Zouabri, sinds 1996 de gevreesde emir (leider) van de zeer gewelddadige Gewapende Islamitische Groep (GIA), is door de Algerijnse veiligheidsdiensten gedood. Zouabri, die 31 jaar oud is geworden, werd vrijdagavond doodgeschoten in een huis in de stad Boufarik, 35 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Algiers. Om elke twijfel aan zijn dood weg te nemen werd Zouabri's lijk formeel geïdentificeerd door de veiligheidsdiensten, mede aan de hand van zijn vingerafdrukken, en vervolgens in het regionale militaire hoofdkwartier in Blida aan de pers getoond. Volgens een militaire woordvoerder is hij ook geïdentificeerd door voormalige leden van de GIA, ,,andere misdadigers zoals hij''. Ten overvloede onderstreepten de militairen dat zij het niet waren geweest die Zouabri de laatste keer, in 1997, dood hadden verklaard, maar de pers, op basis van anonieme veiligheidsbronnen.

Antar Zouabri was zelfs in de orgie van bloedvergieten die de in 1992 begonnen machtsstrijd tussen moslim-extremisten en Algerijnse overheid is, een unicum. Hij moordde en liet moorden op basis van een `geloofsbelijdenis' van 60 pagina's met als centraal geloofsartikel dat Algerije een ,,land van de jihad [heilige oorlog] is waar geen plaats is voor ongelovigen''. En ongelovigen waren allen die anders dachten dan Zouabri: ,,Er is geen neutraliteit in de oorlog die wij voeren. Allen zijn afvalligen en verdienen de dood, behalve zij die met ons zijn''.

En men was nogal makkelijk niet mét hem. Het geloof van Zouabri, een crimineel die in 1990 tot het `ware inzicht' kwam, was als dat van de Afghaanse Talibaan. Iedereen moest bidden – op straffe van de dood wegens geloofsafval. Niemand mocht roken en vrouwen zich niet onder mannen begeven of ,,zich aan obsceniteit en zonde overgeven door hun haar en gezicht te tonen''. ,,Ze mogen niet werken, en evenmin mogen zij studeren.''

Onder Zouabri als emir moordde de GIA er verschrikkelijk op los, met als dieptepunt de zomer van 1997, toen honderden burgers, bejaarden, zwangere vrouwen, zuigelingen, werden afgemaakt – de keel afgesneden, doodgeschoten, opgeblazen of verbrand. Sommige Algerijnse oppositiebronnen menen dat de GIA hierbij mogelijk ook werd gemanipuleerd door kringen binnen leger en inlichtingendiensten. Daarbij wijzen zij erop dat sommige bloedbaden plaatshadden vlakbij militaire garnizoenen, die steevast te laat te hulp kwamen.

Het is niet verrassend dat de GIA, en de ervan afgesplitste Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC, die in principe alleen militaire en overheidsdoelen wil aanvallen) in 1999 het amnestieaanbod van president Abdelaziz Bouteflika in het kader van diens politiek van nationale verzoening, van de hand wezen. Toch is het geweld in Algerije de afgelopen jaren verminderd, dat wil zeggen gestabiliseerd op een niveau van enkele duizenden per jaar. Onder druk van de strijdkrachten en als gevolg van interne onenigheid zijn de GIA en de GSPC versplinterd, wat aan de ene kant hele grote slachtpartijen bemoeilijkt en aan de andere kant volledige uitroeiing van het geweld verhindert. Algerijnse kranten betwijfelen dan ook dat Zouabri's dood heel veel uitmaakt. ,,Moeten we de overwinning uitroepen wanneer we heel goed weten dat Antar Zouabri de zevende terroristische leider van de GIA is en dat deze terroristische organisatie niet is verzwakt?'' aldus de krant Le Matin. ,,Integendeel, zij verdubbelt haar barbarisme elke keer wanneer een van haar leiders is geëlimineerd.''