Omkijken kan altijd nog

Je ziet het aan zijn grote ogen, ze staan op alarm. Je hoort het aan zijn manier van praten, hij doet het zo snel mogelijk soms hapert zijn woordenbrij. Hij heeft geen geduld. Erben Wennemars is een sprinter. Wanneer het startschot klinkt is hij al weg, zo snel mogelijk over het schaatsijs, bocht naar links, dan weer een bocht naar links en zo snel mogelijk naar de finish. Hij heeft geen tijd te verliezen, hij moet er sneller zijn dan verwacht liefst in een snellere tijd dan de andere sprinters.

Hyperactief zou je hem kunnen noemen. Van stiltes lijkt hij niet te houden, van stiltes wordt hij onrustig. Snel, alles moet snel gaan. Het ene record is nog niet gebroken of het andere dient zich al aan. Zou hij ooit rust vinden, rust om te genieten, rust om te analyseren waar hij mee bezig is? Want met zoveel haast in je leven, mis je de momenten van bezinning, de verhelderende momenten die een geest leeg kunnen maken.

Vier jaar geleden ging het mis. Het zat er misschien wel aan te komen. In de M-Wave van Nagano verloor hij bij het ingaan van de laatste meters op weg naar de eindstreep de macht over lichaam en geest toen zijn vallende Noorse tegenstander hem uit balans bracht. Hij probeerde de val nog te breken maar ontzette daardoor zijn schoudergewricht. Een oerschreeuw galmde door de ijshal. De schreeuwende pijn van jaren haast en ongeduld ging door merg en been. In een ziekenhuis kwam de sprinter tot rust. Eindelijk was er die hogere macht die hem tot bezinning dwong.

Zo snel mogelijk schaatsen om records te breken, om kampioen te worden en om vooral vereerd te worden. Erben, zoals zijn roepnaam luidt, heeft intussen begrepen dat er meer is dan schaatskampioen zijn. Een kortstondig verblijf in Amsterdam heeft de jongeman uit Dalfsen, Overijssel, doen inzien dat het leven ontspanning behoeft. Dat inzicht begint ook bij hem te komen. Nu schaatst hij evenwichter en misschien daardoor wel sneller. Races over 500 meter en de 1.000 meter zijn hem meer dan ooit op het lijf geschreven. Hij gaat ervoor, als een Amerikaan, hij doet zijn uiterste best, laat zijn biertjes staan en kijkt niet om. Dat kan altijd nog.

Sport loutert, sport kan een mens inzicht verschaffen in zijn geest. De vragen rijzen bij elke triomf en elke nederlaag. Erben droomt van schaatsraces, van wedstrijden tegen zijn aartsrivalen die hij vroeger verloor maar nu wint. Hij wil een winnaar zijn, zoals zijn coach Peter Mueller die hem maar bleef toeschreeuwen: Come on Irvy, you can win. Denken aan verliezen kan altijd nog. Straks, thuis, wanneer hij samen met Renate zijn schaapjes telt en als een ouwe dikbuikige zatlap voor de televisie hangt en naar schaatsers kijkt die records willen breken.

Hij heeft veel vrienden, mensen die hem tot in alle uithoeken van de wereld komen opzoeken en ondersteunen. Tot in Salt Lake City reizen ze hem met een camper achterna. Want ze weten dat Erben niet zonder mensen kan uit Overijssel en omgeving, zoals het jongens uit de provincie vergaat. Op de Olympic Oval in Salt Lake moet hij het trauma van Nagano voorgoed zien te verwerken. Kin vooruit, ogen en mond open en bijten, de olympische val van vier jaar geleden vergeten. Links de bocht in en zo snel mogelijk de bocht uitgaan en niet vallen. Als dat lukt, is hij op weg naar een medaille en zal hij met gebalde vuisten over de streep glijden. Als het niet lukt, zal hij eerst spugen van woede, schelden van teleurstelling en huilen van verdriet. En dan, wanneer zijn opspelende emoties tot rust zijn gekomen, zal hij tegen zichzelf zeggen: `Het was een mooi schaatsleven, ik heb alles uit mijn lichaam gehaald, meer zat er niet in'. Dan zal hij van zichzelf genieten en denken: wat ben ik toch een gekke vent, dat ik me te pletter heb geschaatst om gelukkig te worden.