OM zocht in zaak-Vos geen autopsierapporten

Vos BV leverde giftige glycerine waardoor kinderen stierven en kwam met een schikking weg. Wat deed justitie om de schuld van het Alphense bedrijf aan te tonen?

Amerikaanse pathologen die onderzoek deden naar de dood van Haïtiaanse kinderen door een Nederlandse glycerine-leverantie zijn vooral verbaasd dat het Haagse openbaar ministerie geen gebruik maakte van hun autopsie-gegevens. Volgens professor L. Racusen (Johns Hopkins University) moet haar rapport over de dodelijke nierschade bij drie kinderen ,,zeker'' een rol spelen in bewijsvoering tegen het Alphense bedrijf Vos BV. En, ja, ze is bereid voor een Nederlandse rechtbank te getuigen. Professor T. Bunchman (University of Alabama) zou ,,graag voor de rechter verschijnen''. Beiden wisten niet dat in Nederland een justitieel onderzoek liep.

Bunchman ging in 1996 naar Haïti om doodzieke kinderen naar de VS te halen. Enkelen overleden al in het vliegtuig terug. Bunchman noemt een hoger dodental dan de minstens zestig waarvan men in Nederland uitgaat. Volgens hem stierven ,,meer dan honderd'' kinderen door de vervuilde glycerine.

Bunchman, die ook kinderarts is, onderzocht de nieren bij een van de nog levende Haïtiaanse kinderen: ,,De conclusie was betrekkelijk duidelijk, het had te maken met vergiftiging''. Het stelsel van buisjes in de nieren vertoonde afstervingsverschijnselen (tubulaire necrose). Dat komt bij kinderen zelden voor. Volgens Bunchman werd door zijn onderzoek een natuurlijke oorzaak uitgesloten. Gelet ook op het epidemisch karakter van de acute nieraandoening – alle kinderen gebruikten dezelfde koortswerende siroop – kan volgens Bunchman worden geconcludeerd dat de gevonden antivries (diethyleen-glycol) in de voor de siroop gebruikte glycerine, de doodsoorzaak was.

Het college van procureurs-generaal schreef eind januari ter verdediging van de omstreden schikking met Vos BV aan minister Korthals van Justitie dat het OM ondanks rechtshulpverzoeken noch uit de VS noch uit Haïti ,,adequate informatie'' over de doodsoorzaak van de kinderen ontving. Enig zoekwerk in publieke bronnen had het OM al op het goede spoor gezet. In Morbidity and Mortality Weekly Report (2 augustus 1996) werd al melding gemaakt van autopsie-onderzoek. Onder de vermelde onderzoekers waren Racusen en Bunchman. Het blad is een uitgave van het nationale Center for Disease Control (CDC) in Atlanta, zoveel als de Amerikaanse GGD, dat onderzoek en hulp aan Haïti coördineerde.

Een hoge functionaris van het CDC zegt dat de Nederlandse justitie bij zijn weten ,,nooit heeft geprobeerd'' direct of via een rechtshulpverzoek informatie van zijn organisatie te krijgen. Een woordvoerder van het Haagse parket liet vanochtend weten dat wel degelijk via een rechtshulpverzoek aan het CDC om informatie is gevraagd. Hij kon echter niet zeggen welke informatie het OM langs deze weg heeft verkregen. Volgens hem zijn rechtshulpverzoeken uitgegaan naar Duitsland, de VS en Haïti. Haïti heeft hulp geweigerd. Het OM heeft de VS niet bezocht.

De afgelopen tien jaar stierven volgens de Wereldgezondheidsorganisatie honderden kinderen in onder meer Bangladesh en Nigeria door toevoeging van antivries aan glycerine. Die wordt veel gebruikt om medicinale stropen te maken. Toevoeging van antivries gebeurt uit winstbejag: het is veel goedkoper dan glycerine. De in Bangladesh en Nigeria gestorven kinderen hadden precies dezelfde ziekteverschijnselen als die in Haïti.

Vos BV kocht de glycerine in China. Het Alphense bedrijf liet de glycerine vooraf in een Dordrechts laboratorium testen. Eerst had Vos dit tegenover de gezondheidsinspectie ontkend. Uit het testrapport, in 1997 via deze krant uitgelekt, bleek dat de glycerine een zuiverheid van maar 53,9 procent had. Toch verkocht Vos de glycerine met de medische kwalificatie `USP', waarvoor 95 procent zuiverheid is vereist. Het referentienummer in het testrapport bevestigde dat het de glycerine was die in Haïti is gebruikt. Uit de laboratoriumtest in Dordrecht bleek nog niet dat er antivries in zat.

Het college van procureurs schreef in de brief aan minister Korthals ook dat het onderzoek ,,geen aanwijzingen'' opleverde dat binnen Vos BV natuurlijke personen waren aan te wijzen die voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking kwamen, omdat verantwoordelijkheden over afdelingen verdeeld zouden zijn. Volgens ingewijden bij Vos was het echter juist de directie die zich rechtstreeks met import- en export bemoeide. De toenmalige directeur, inmiddels met ontslag, gaf zelf per memo specificaties voor het testen van importgrondstoffen.

Volgens de brief van de procureurs, ondertekend door voorzitter De Wijkerslooth, was het ,,ondanks naspeuringen'' van OM en politie ook onmogelijk een aantal nabestaanden in Haïti op de hoogte te houden van het voornemen tot schikking, wat noodzakelijk is om gelegenheid te geven tot beklag.

Advocaat D. Mishael uit Miami, die in Florida een civiele zaak tegen Vos BV en de Duitse moeder Helm AG begon, is verbijsterd. Hij schreef de Haagse officier Haverkate op 30 september 1997 als `vertegenwoordiger van 55 Haïtiaanse families'. Een processtuk was bijgevoegd. Er komt alsnog beklag tegen de schikking.