Fortuyn praat niet alleen maar onzin

Pim Fortuyn mag een recept zijn voor ruzie, de meeste bestaande politieke partijen zijn een recept voor stagnatie. Arend Jan Boekestijn weet niet wat erger is.

Zijn moeder had hem op haar sterfbed nog zo gewaarschuwd voor zijn onbesuisdheid. Het mocht niet baten. Dit weekeinde verspeelde Pim Fortuyn zijn kans om minister te worden in een kabinet van VVD, CDA en Leefbaar Nederland. Zijn generalisaties over de islam en zijn voorstel om artikel 1 van de grondwet te schrappen resulteren straks waarschijnlijk in een kabinet van PvdA, VVD en CDA. Dat is jammer want niet alles wat Fortuyn te berde bracht was zo onzinnig als zijn tegenstanders ons willen doen geloven. En uit de reactie van Paars dit weekeinde bleek weer eens dat de zittende politieke elite niet in staat is tot het formuleren van een intellectueel antwoord op de provocaties van Fortuyn.

Zaterdag viel heel Den Haag over Fortuyns voorstel om artikel 1 van de Grondwet nog eens kritisch te bezien. VVD-fractieleider Dijkstal sprak gelijk over de aantasting van de kern van onze beschaving. En D66-fractieleider Thom de Graaf wist niet veel beters te bedenken dat een smakeloze vergelijking met Anne Frank. Hier won de gretigheid het van de reflectie. Iedereen weet dat een spanningsveld bestaat tussen artikel 7, de vrijheid van meningsuiting, en artikel 1, het non-discriminatiebeginsel, en dat mag best worden aangeroerd. Indien een imam via internet oproept om homo's te vermoorden, mag Fortuyn van mij de religie van deze man achterlijk noemen. In ieder geval is Fortuyns opmerking niet erger dan de houding van minister Van Boxtel, die meent met deze imam een kopje koffie te moeten gaan drinken.

Probleem is dat Fortuyn verder ging dan dit. Hij noemde de islam als geheel een achterlijke cultuur en dat is niet alleen verwerpelijk maar ook onverstandig. Wij zijn in Nederland nu juist bezig om de 700.000 moslims in Nederland te beschermen tegen de verderfelijke invloed van de politieke islam die onze cultuur vergelijkt met een varkensstal en die geen enkele boodschap heeft aan de scheiding van kerk en staat. Als in een dergelijke precaire situatie alle moslims over één kam worden geschoren, zal hun emancipatie nog langer op zich laten wachten.

Ook Fortuyns wens om de grenzen te sluiten is ongewenst. Juist nu het restrictieve beleid van Cohen vruchten begint af te werpen en het minderhedenbeleid veel minder vrijblijvend wordt, is er geen reden waarom een rijk land als Nederland niet politieke vluchtelingen zou kunnen opnemen. Juist omdat opvang in de regio niet altijd een optie is, moet Nederland zijn steentje bijdragen. Wel zal iedereen die zich hier vestigt, onze rechtsstaat moeten aanvaarden. En als zij dat niet doen dienen zij te worden uitgezet.

Fortuyns uitlatingen zullen het hem onmogelijk maken om deel te nemen aan het nieuwe kabinet en dat is voor wat het vreemdelingenbeleid betreft geen verlies. Om een andere reden valt echter te hopen dat Fortuyns politieke rol nog niet is uitgespeeld. Fortuyn lijkt namelijk een interessante opvatting te hebben over de relatie staat-maatschappij. In zijn ogen heeft Paars de staat boven de maatschappij gesteld. Dat mag volgens Fortuyn niet omdat de staat deel uitmaakt van de maatschappij. Het primaat ligt volgens hem bij de maatschappij en dus niet bij de staat. Fortuyn zegt de politiek te willen terugbrengen naar de burgers en heeft zich uitgesproken voor een kleinere staat (met bijvoorbeeld 25 procent minder ambtenaren).

Het betreft hier twee onverenigbare visies op de relatie staat en maatschappij die, zoals prof. E.H. Kossmann heeft betoogd, onze politieke geschiedenis hebben bepaald. De Spaanse koning liet er in de zestiende eeuw geen misverstand over bestaan dat de staat boven de maatschappij staat. Toen Willem van Oranje in opstand kwam tegen de Spaanse koning, vond hij een rechtvaardiging in de stelling dat de staat de maatschappij moet dienen. Indien de vorst het volk (dat wil zeggen de toenmalige elite) niet diende, mocht hij worden afgezet. De maatschappij had dus uiteindelijk het laatste woord. Thorbecke ging in de Grondwet van 1848 eveneens uit van het primaat van de maatschappij. Pas aan het einde van de 19e eeuw kwam de oude Spaanse despotische visie weer terug, maar nu in een geheel ander jasje.

Toen meenden de links-liberalen dat de staat niet alleen de positieve vrijheden van het individu, de vereniging, de gemeente en de provincie moest bevorderen, maar eveneens gelijke ontwikkelingskansen voor individuen. Dat was een lovenswaardig streven maar had wel tot gevolg dat de staat, net zoals in een despotie, boven de maatschappij werd gesteld. Deze politiek, die dus was voortgekomen uit de beste bedoelingen, had op den duur grote gevolgen voor de staatsomvang.

Voor de Eerste Wereldoorlog en in het interbellum maakte de staat, weliswaar schoorvoetend, een begin met een sociale politiek. Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het etatistische denken zijn hoogtepunt in de verzorgingsstaat. Curieuze slogans als `hoger onderwijs voor velen' en `spreiding van inkomen, kennis en macht' deden hun intrede. Dat kon niet goed gaan. De universiteiten barstten uit hun voegen. Het sociale stelsel creëerde een akelige armoedeval en dijde alsmaar uit omdat het geen rekening hield met de calculerende burger.

Onder Lubbers begon de onvermijdelijke retraite van de staat. Privatiseringen en het marktdenken deden de omvang van de staat afnemen. Paars zette dit werk voort en leek succes te boeken. Tussen 1994 en 2001 nam het aandeel van de publieke sector in het bruto nationaal product af van 49,9 procent tot 41,3 procent. Maar dat was minder mooi dan het op papier leek. En het primaat bleef bij de staat liggen.

De economische groei was zo onstuimig dat het relatieve aandeel van de publieke sector in het bruto nationaal product automatisch afnam zonder dat het mes werd gezet in de overheidsuitgaven. Het aantal WAO'ers steeg verder en de hoge investeringen in de gezondheidszorg leken weinig op te leveren. Ontslagen ambtenaren werden vaak vervangen door duurbetaalde organisatieadviseurs (vaak dezelfde personen). Het minderhedenbeleid liep spaak en te weinig geld werd geïnvesteerd in de klassieke overheidstaken als onderwijs en de infrastructuur.

Paars heeft de maatschappij dus niet gediend. Fortuyns onjuiste generalisaties over de islam hebben nu als ongewenst gevolg dat in Den Haag weer geen fundamenteel debat zal ontstaan over de vraag wat de staat nu wel en niet zou moeten doen. Dat debat had Paars alle kansen geboden om Fortuyn aan te vallen. Men had er bijvoorbeeld op kunnen wijzen dat zijn stringenter minderhedenbeleid en anti-kartelpolitiek – vooral de door Fortuyn gekoesterde kleine en middenbedrijven zijn tegen kartels – eerder leidt tot meer dan tot minder ambtenaren.

Met name de VVD liet hier kansen liggen. Elk filosofisch debat wordt in deze partij gesmoord in dixielandmuziek. Dijkstal houdt meer van zijn saxofoon dan van de liberale filosofen Nozick en Rawls. Met de meeste andere partijen is het niet veel beter gesteld. Melkert kent zijn `Rawls' maar zijn etatistische reflex beneemt hem het zicht op de samenleving. En de reactie van D66 op Balkenendes terechte kritiek op de multiculturele samenleving was beneden alle niveau.

Fortuyn mag een recept zijn voor ruzie, maar de meeste bestaande politieke partijen zijn een recept voor stagnatie. Ik weet niet wat erger is.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Op www.nrc.nl discussie over de vraag: `Heeft Leefbaar Nederland terecht gebroken met Pim Fortuyn?'