Een verbod op achteloosheid

Waarom ontroert geluk dat is een vraag die, zo bleek ook afgelopen zaterdag in de bijlage `Leven' van deze krant niet te beantwoorden is. Je hoort het veel mensen zeggen, dat, naarmate ze ouder worden, de ontroering bij geluksvertoon, bij goed aflopende films etc. groter is dan bij de nu wel bekende ellende. En steeds wordt daar natuurlijk `het huwelijk' bij aangehaald, waar gelukkige tranen bij gestort zouden zijn.

Ik weet dat niet. Ik weet wel dat de kerkelijke inzegening van een huwelijk een uiterst ontroerende gebeurtenis is, los van wie er trouwen. Niet vanwege het kerkelijke zozeer, maar vanwege de formule die wordt uitgesproken met dat voorspoed en tegenspoed, rijkdom en armoede, ziekte en gezondheid `tot de dood ons scheidt'. Jammer dat dat bij het burgerlijk huwelijk allemaal zoveel zakelijker klinkt, al is dat wellicht realistischer. Het zal ook wel niet voor niets zijn dat juist in deze tijd van huwelijksgedachten de nationale scheidingscijfers naar buiten werden gebracht die er niet om logen. Niks `tot de dood ons scheidt'. Een belangrijk deel van de huwelijken is na vijf jaar alweer ontbonden. We hebben verwachtingen over hoe we ons zullen voelen, maar we weten niet hoe het zal gaan en wat we vol zullen willen houden. Dat wat we liefde noemen er is weinig raadselachtiger dan dat. Trouw tot aan de dood, hebben en houden, niet loslaten ook al gaat het moeizaam het klinkt allemaal wel mooi maar het is weinig populair in de praktijk. In de praktijk staan vuile sokken in de weg en wie de auto naar de garage moet brengen.

In de televisieserie van Wim Kayzer over schoonheid en troost kwam ook Roger Scruton aan het woord, de nu van zijn voetstuk gevallen zeer Britse intellectueel, die zich door een Japanse tabaksfabriek wilde laten betalen in ruil voor de publicatie van zijn hun welgevallige mening. Dat is natuurlijk niet behoorlijk want niet onafhankelijk en dat is nu juist wat we van een intellectueel die zichzelf een publieke rol heeft aangemeten verwachten: dat hij of zij zegt wat hij of zij vindt zonder dat er iemand met een zak vol tabaksgeld klaarstaat. Maar dat neemt niet weg dat hij in die Kayzer-uitzending bijzondere dingen zei over het huwelijk. Wat hij zei kwam erop neer dat als mensen een huwelijk sluiten ze al hun handelingen ten opzichte van elkaar een betekenis geven, de betekenis van het verbond dat ze gesloten hebben. Alles wat ze doen staat in dienst daarvan en wordt daardoor op een hoger plan getild, want het is geen willekeurige afwas die ze doen, het is niet het zomaar bij elkaar zitten met iemand die je erg graag mag, het eten wordt niet alleen maar naar binnen gewerkt omdat een mens toch moet eten, nee, alles en alles wordt gedaan met degene tegen wie je hebt gezegd `tot de dood ons scheidt', alles staat in het licht van die belofte en is daardoor zinvol en betekenisvol.

Misschien is dit eerder huwelijksmystiek dan praktische omgang met de vieze afwas, maar een mooi en zelfs belangrijk idee is het wel. Het lijkt op wat mystici aanraden aangaande de omgang met de dingen, voortdurende aandacht, eenworden met datgene wat buiten je bestaat. Een verbod op achteloosheid.

Natuurlijk is iedereen voortdurend achteloos en rennen we allemaal geregeld hulpvaardig de verkeerde kant op, rommel om ons heen verspreidend, gehaast op weg naar iets onbelangrijks. Je zou je hele leven in dienst moeten stellen van dat idee van het heilige huwelijk om er werkelijk volkomen naar te kunnen leven. Dan zou het zoiets worden als een kloostergelofte, en in kloosters zijn de regels natuurlijk ook niet voor niets zo streng. Want een gelofte is mooi maar je eraan houden is iets anders. De strikte dagindeling, de voorgeschreven gebeden en werkzaamheden, alles in het kloosterleven is erop gericht om geen moment te vergeten waarom men daar is, om een leven van zo volledig mogelijke overgave te leiden. We vinden iemand die iets doet omdat het moet nooit een erg verheffend voorbeeld, tenzij het misschien zijn geweten is dat hem geen keus laat want dan doen we net of het wel `vrijwillig' is. Kloosters zijn daarom geen tot de verbeelding sprekende voorbeelden. Het is wel zo dat als je maar lang genoeg op een bepaalde manier leeft, je die manier internaliseert, van gedwongen verandert de levenswijze in vrijwillig. Net zoals iedereen als kind moet leren dat-ie met z'n vingers uit de koektrommel of uit moeders portemonnee moet blijven, en op den duur wil je niet eens meer stiekem koekjes nemen of geld wegpakken, het staat tegen om dat te doen. Dan is het, na dwang, iets innerlijks geworden. Dan kan men misschien ook de Leo Vroman in zichzelf tegenkomen, de dichter die tot aan de witte bloedlichaampjes van zijn vrouw bezingt, die van zijn huwelijk althans voor zover wij dat weten zozeer een bestaanswijze heeft gemaakt dat hij ondenkbaar is geworden, in ieder geval voor zichzelf, zonder zijn vrouw: ,,[ik] zie mijn hele naam niet graag beroemd/ als Tineke er niet bij wordt genoemd./ De laatste tweeënzestig jaar/ besta ik niet zonder haar.''

Die huwelijksbezweringen zouden ze eigenlijk wel elke dag mogen uitzenden, ja dat zou mooi zijn, met elke dag een ander bruidspaar, al die mensen die elkaar de toekomst beloven. En wij elke dag maar weer ontroerd knikken omdat woorden het zo mooi kunnen zeggen, dat wat zich aan woorden onttrekt en wat we liefde en trouw enzo noemen en waarvan we iets proberen te maken dat neerkomt op in voor- en tegenspoed en bij ziekte en gezondheid en altijd en altijd totdat de dood ons scheidt.