Clans beslissen over leven en dood in Somalië

In Somalië blijven clans de dienst uitmaken. Clanleiders die duizenden mensenlevens op hun geweten hebben kunnen niet worden aangepakt omdat hun clans dat nooit zouden accepteren.

Een onzichtbare maar onverbiddelijke grens scheidt Noord- van Zuid-Galcayo, een stad in het midden van Somalië. Kinderen uit het goeddeels verwoeste zuidelijke deel kunnen niet naar de scholen in het meer welvarende noorden. Wie ziek wordt in het zuiden krijgt geen behandeling in het ziekenhuis van het noorden. De oorzaak van het hemelsbrede verschil tussen de twee stadsdelen: de bewoners behoren tot andere clans.

We rijden door het noorden, waar de bewoners tot de groep van de Marjerteen clans behoren. De ambtenaren van de autonome `staat' Puntland, waarin het noordelijke stadsdeel ligt, hebben een schijn van orde geschapen. ,,Als je hier wordt beroofd, treedt de politie niet op maar zij komt ná de misdaad misschien wel in actie. Je kan tenminste ergens je beklag doen. En dat is heel wat voor Somalië'', vertelt een inwoner.

We rijden verder, op weg naar het zuiden. In 1994 voerden noord en zuid een hevige oorlog en toen deze was afgelopen vlogen de subclans in het zuiden elkaar in de haren. Een open ruimte fungeert als onzichtbare scheidslijn. Er zijn geen winkeltjes meer, de huizen zijn doorzeefd met kogels en kinderen gaan blootsvoets. Vijf gewapende jongens stappen vastberaden op onze auto af. Per mobiele telefoon hebben we met hen afgesproken. Zij moeten ons beschermen, in Zuid-Galcayo is geen enkele orde. De inwoners behoren tot de groep van Hawiye clans van de beruchte krijgsheren Farah en diens zoon Hussein Aideed.

De militieleden leiden ons tussen de puinhopen rond. Een oude vrouw scharrelt tussen opgehoopt vuil. Wanneer we uitstappen nemen onze lijfwachten onmiddellijk posities in en richten hun geweren op vermeende gevaren tussen de kapotgeschoten gebouwtjes. Nergens kunnen we langer dan tien minuten blijven. Siad, onze begeleider uit het noorden, kijkt zijn ogen uit. Zijn woning ligt hier nog geen kilometer vandaan. ,,Ik ben hier in de afgelopen tien jaar nooit geweest'', zegt hij.

Geagiteerd houden onze bewakers hun mobieltjes aan het oor. Bij iedere straathoek bellen ze naar collega's, om te waarschuwen ons niet aan te vallen. Ze voeren ons naar een groepje clanoudsten op een mat in een dakloos huis. ,,We hebben een eigen haven nodig'', klagen ze. De havenstad Bosasso in het woongebied van de Majerteens willen ze niet gebruiken. ,,We hebben te bittere gevechten met ze gevoerd, we zijn te grote vijanden geworden'', vertellen ze.

Bij twee zaken kunnen de bewoners van Galcayo wél samenwerken: qat en de mobiele telefonie. Het stimulerende qat wordt iedere dag vers uit Kenia aangevlogen en belandt op de luchthaven in het noordelijke deel. De qathandelaren uit het zuiden krijgen speciale toestemming om de bundeltjes met de drug in het noorden op te halen. De telefoonmaatschappijen slaagden er in om in beide stadsdelen antennes neer te zetten.

,,Dit is een schizofreen land geworden'', verzucht een Somaliër uit Canada als we in het noordelijke gedeelte zijn teruggekeerd. ,,Vroeger konden we samen voetballen, kinderen van verschillende clans speelden verstoppertje en vrouwen mochten hun stem verheffen. Dat is nu allemaal niet meer mogelijk.''

Tot enkele maanden geleden behoorde Puntland, dat in 1998 zijn eigen autonomie uitriep, tot de schaarse gebieden waar de xenofobische clantegenstellingen tot beheersbare proporties waren teruggebracht. Een `regering' onder `president' Abdullahi Yusuf was er in geslaagd een vorm van orde te scheppen door losbandige militieleden in een reguliere strijdmacht op te nemen. In augustus werd de zeepbel doorgeprikt toen zijn subclan zijn mandaat met drie jaar probeerde te verlengen. Daartegen kwam een andere subclan in opstand: hij benoemde een eigen `president', Jama Ali Jama, en een rivaliserende `regering' in Bosasso.

Zwaarbewapende strijders hangen rond bij het kantoor van Ibrahim Ismail, `gouverneur' van Bosasso onder Abdullahi Yusuf. Hardnekkig weigert hij Jama Ali Jama te erkennen, hoewel hij in diens `hoofdstad' verkeert. ,,Ali Jama heeft met de fundamentalisten van Al Itihaad al Islamiya een staatsgreep in Puntland gepleegd en Abdullahi Yusuf afgezet'', betoogt hij. ,,Onze tegenstanders zijn even gevaarlijk als de Talibaan, laat de Amerikanen hier ingrijpen om de islamitische terroristen rond Ali Jama te verslaan.''

Ahmed Mohamed Gonle zit op een plastic stoel op de parkeerplaats van het Panorama hotel in Bosasso. Hij is `vice-president' van Ali Jama. ,,Abdullahi Yusuf belazert de buitenwereld door ons voor te stellen als terroristen'', zegt hij. ,,Ik zou willen dat Bin Laden hier naar toe was gevlucht'', grapt hij. ,,We zouden hem direct voor een paar miljoen dollar uitleveren.'' Hij veroordeelt de militaire steun van buurland Ethiopië aan Abdullahi Yusuf . ,,De Ethiopiërs denken dat hij hun verzekering tegen fundamentalisten is. In werkelijkheid wil Ethiopië ons Somaliërs verdelen.''

De `vice-president' verzuimt de vermelden dat de Al Itihaad wel degelijk een tactische alliantie met Ali Jama heeft gesloten, want Abdullahi Yusuf is sinds lang een gezworen vijand van de fundamentalisten. De vijand van mijn vijand is mijn vriend, geldt in de Somalische clanpolitiek. Ali Jama was vroeger communist.

Somaliërs zijn de meest meedogenloze en opportunistische politici van Afrika. Maatstaven die elders gelden, gaan hier niet op. Begrippen als goed en slecht zijn niet meer toepasbaar. Slechts één ding is werkelijk belangrijk: de clan. Krijgsheren die verantwoordelijk zijn voor duizenden doden, die steden hebben vernietigd en voedselhulp voor stervende vrouwen en kinderen inpikten, kunnen niet worden bestraft of uitgesloten van de politiek.

Yusuf Azhari is `minister van Buitenlandse Zaken' van de Somali Reconciliation and Restoration Council, het verbond van door Ethiopië gesteunde krijgsheren. ,,We hebben geen andere keuze dan de krijgsheren bij de oplossing te betrekken'', zegt hij in Galcayo, ,,ook als zijn ze misdadigers. Want ze behoren ieder tot hun clan en subclan en hun clangenoten zullen hen altijd steunen. Een vredesregeling in Somalië kan alleen werken wanneer alle clans er mee akkoord gaan.''

In het noordwestelijke Somaliland, dat zich in 1991 eenzijdig onafhankelijk verklaarde, slaagden de traditionele clanoudsten er in een akkoord af te dwingen en de milities van de krijgsheren te ontwapenen. Daar bestaat sinds zes jaar relatieve orde; feestelijk zette de `president' er in de hoofdstad Hargeisa vorig jaar de eerste stoplichten in werking. In Puntland lijkt zo'n vredesrol niet weggelegd voor de clanoudsten.

,,Komt u binnen, ga op het kleed zitten'', verwelkomt Abdulahi Ali ons in zijn sjieke woning. Hij is clanoudste van Bosasso. Zijn zoon zet een glaasje ranja en een bord popcorn voor mijn voeten. ,,Dat is onze traditie om gasten welkom te heten.'' Een oude man met een oranje ringbaardje met witte rand voegt zich bij ons en begint aan de blauwe kralen van zijn gebedsketting te frummelen. ,,Wij clanoudsten zijn de enigen die de problemen van Puntland kunnen oplossen. Want wij zijn geen politici maar wijze adviseurs.''

Maar ook de traditionele wijze oudsten van Puntland zijn verziekt door de krankzinnige clanpolitiek. Er volgt een tirade tegen Ali Jama en tegen de fundamentalisten van Al Itihaad. ,,Sommigen van ons hebben zich laten omkopen door Ali Jama'', zegt Abdulahi met venijn in zijn stem. ,,We moeten Ali Jama verdrijven, een oorlog is onvermijdelijk.''