`WIE WEET WAT NRC HANDELSBLAD IS?'

Voor zijn proefschrift gaf de Amerikaanse socioloog Bowen Paulle les op twee scholen: één in het getto van de South Bronx van New York en een tweede in de Bijlmer. `Voor deze jongeren is de school het enige contact met de `mainstream' cultuur'.

Ongeveer dertig leerlingen komen rumoerig de klas binnen voor de Engelse les. Twee meisjes hebben net in de pauze op het schoolplein gevochten. De reden is onduidelijk, maar de opwinding is groot. Het kost Bowen Paulle de grootste moeite de klas rustig te krijgen. Daarna stelt hij de vraag of iemand weet wat NRC Handelsblad is. Er gaan twee vingers omhoog: ``Een tv-programma, meester?'' ``Wie kent de Telegraaf dan?'', probeert Bowen Paulle. De hele klas steekt de vinger omhoog. ``Een krant, meester!'' ``Juist jongens en NRC Handelsblad is een krant, net zoals de Telegraaf.'' De jongeren kijken elkaar verbaasd aan. Intussen is de klas alweer een kabaal van door elkaar gepraat. Bowen Paulle krijgt de lachers op zijn hand als hij met goed nagebootst Surinaams accent de leerlingen tot de orde roept: ``Houd jij je lip, jongen!''

Dit is klas 3 op kaderberoepsgericht niveau van het Augustinus College in de Amsterdamse Bijlmer. Tweederde van deze vmbo-school is basisberoepsniveau oftewel de laagste opleiding in het voortgezet onderwijs. Het Augustinus staat tussen de hoogbouwflats van de Bijlmer waar voornamelijk Surinamers en Antillianen wonen. De leerlingen zijn uit deze buurt afkomstig. Om de school staan hoge ijzeren hekken.

Bowen Paulle (31) is afgestudeerd socioloog aan de New School for Social Research in New York. Voor zijn onderzoek gaf hij op beide scholen twee jaar les. Tijdens zijn studie volgde hij ook een jaar Europese studies in Amsterdam en kwam terug om er uiteindelijk te blijven wonen. Nu rondt hij zijn proefschrift af aan de Amsterdamse School voor Sociaal Wetenschap & Onderwijspelijk Onderzoek. Zijn proefschrift gaat over de overeenkomsten tussen Taft Highschool in het getto van de South Bronx van New York en het Augustinus College in een achterstandsbuurt als de Amsterdamse Bijlmer.

Bowen Paulle: ``Op macro-niveau zijn er grote verschillen. De prijs voor uitsluiting in de South Bronx is vele malen hoger. De leerlingen zitten apathisch in de banken van al het geweld dat ze meemaken. Met de kinderen in de South Bronx vergeleken zijn de kinderen hier in de Bijlmer heel spontaan en speels. Beide scholen kampen echter met een gebrek aan middelen en een tekort aan leraren. Een probleem dat voor veel scholen in dit type onderwijs geldt.''

Op micro-niveau zijn er volgens Bowen Paulle veel overeenkomsten. De mechanismen op beide scholen zijn vergelijkbaar. ``Er is een kleine groep jongeren die anti-school is en die de sfeer grotendeels bepaalt. Voor veel jongeren van deze groep is de school het enige contact met de mainstream cultuur. Ze komen vaak uit instabiele gezinnen en staan buiten de maatschappij. Naast deze groep is er een heel grote groep jongeren die uit stabiele gezinnen komen, gewoon naar school willen en hun best doen om verder te komen. Maar ze vinden de afleiding in de klas ook wel leuk en lopen mee. En dan is er een kleine groep die gewoon les wil hebben, niet gestoord wil worden en zich ergert aan de anti-school jongeren.

``Mijn bevindingen komen vaak overeen met die van de Engelse antropoloog Paul Willis. Hij deed halverwege de jaren zeventig onderzoek op een Engelse school met leerlingen, voornamelijk afkomstig uit de blanke arbeidersklasse. Hij zag ook een kleine groep anti-schoolleerlingen die de sfeer in een school grotendeels bepaalt. Die heb je ook op het gymnasium, maar voor deze jongeren op scholen als het Augustinus College en Taft High School hangt meer van hun gedrag af. Na deze school is er vaak niets meer. Ze kunnen niet terugvallen op overerfbaar economisch, cultureel en sociaal kapitaal. Deze kleine groep leerlingen is zich bewust van het negatieve oordeel dat de maatschappij en het schoolsysteem van hen hebben. En dat bevestigt ze in de `wij-tegen-hen'-houding. En `hen' zijn in dit geval vaak blanke volwassenen uit de middenklasse. Er vindt een botsing van meerdere culturen plaats.''

In de aula van de school hangen verschillende groepen scholieren rond, sommigen zitten aan tafels. De groepen zijn naar afkomst en kleur verdeeld: de Creoolse Surinamers en Antillianen, de Hindoestaanse Surinamers en een enkele witte leerling. Bij het buffet hangen de `mannen' van de school rond. Bowen Paulle: ``Dat zijn de populaire leerlingen. Ze zijn `cool' of `fabulous'. Dat zijn de jongens (met hun vrienden) die de scooters hebben, de gympen van de laatste mode dragen en spelen in een van de hooggewaardeerde Surinaamse bands van de buurt. De mannen op wie de populaire meisjes van de school verliefd worden. Zij hebben de macht om te bepalen wat `cool', `uncool' en begerenswaardig is. Hun houding en ritme van onverschilligheid en `cooler dan cool' heeft de cultuur in deze school grotendeels overgenomen. Het is een strijd om de hegemonie. Maar het is ook een manier van omgaan met gebrek aan respect dat zij voelen. Zowel de leerlingen in New York als Amsterdam hebben daar trouwens dezelfde term voor: to diss zoals in het Engelse woord disrespect: ze voelen zich `gedissed'.

Er zijn meer overeenkomsten tussen de South Bronx en de Bijlmer, zegt Bowen Paulle. Dertig tot veertig procent van de leerlingen op het laagste niveau die doorstromen naar een vervolgopleiding verdwijnen binnen een jaar van de school. ``De meeste jongeren zijn dan niet in staat zich te handhaven in de service-economie die onze maatschappij beheerst. Ze hebben geen `goede houding', zoals werkgevers het uitdrukken. Ze zijn dan 17 jaar. Je moet dus eerder ingrijpen. Juist in de leeftijd van 14 tot 17 jaar wanneer dat socialisatieproces nog in volle gang is.''

Bowen Paulle is langzaam naar zijn onderzoeksonderwerp gedreven. ``In mijn jeugd in New York speelde ik basketbal op een zwarte high school. Ik verkeerde op de scheidslijnen van ras en klasse: ik had altijd de kans terug te stappen in mijn middenklasse-milieu. Die keus en die kans hadden de jongens met wie ik speelde niet. Langzaam ontstond bij mij als socioloog de vraag hoe die socialisatie van iedere dag geschiedt en wat in dit proces de rol van de school is. De vorming van de habitus dus, zoals de sociologen Pierre Bourdieu en Norbert Elias het omschrijven. Misschien is habitus een vage term maar het is de enige Wetenschap & Onderwijspelijke omschrijving van hoe een sociale code en gedrag tot stand komen en zich vestigen. Hoe ontstaat op een school de code dat leren niet `cool' is? Wat heeft lichaamstaal daarmee te maken? Zowel hier als in New York hebben de jongeren hun eigen taal en code waar volwassenen weinig van begrijpen.''

Voor zijn onderzoek had Bowen Paulle naast zijn lessen als leraar ook interviews met leerlingen, observeerde de docenten tijdens de lessen en zat hij vaak in de aula en op het schoolplein tijdens de pauzes. ``Het was moeilijk om het vertrouwen van de leerlingen te winnen. Maar veel kinderen op het Augustinus vinden me wel interessant, omdat ik Amerikaan ben, veel van hiphop weet, hun lichaamstaal snap en moeite doe om hen te begrijpen.

``Ik vind lesgeven een zware bezigheid. Voor de manier waarop de leraren op beide scholen zich staande houden heb ik bewondering. De meeste docenten geven echter ook aan dat ze een hoop tijd kwijt zijn met het socialiseren van de leerlingen. Maar net als in the Bronx is hier de anti-school-subcultuur te dominant, daar zijn alle leerlingen de dupe van. Je kan de anti-schoolleerlingen wel de gang op sturen maar dan heb je niet meer in de hand wat er op de gang, het schoolplein en in de aula gebeurt.'' Er zou een groep volwassenen moeten zijn, zoals leraren, conciërges of ouders, die toezicht houdt. De realiteit is echter het tegenovergestelde. De school heeft net zoals andere vmbo-scholen grote problemen met het werven van personeel. Bowen Paulle: ``Er zijn klassen op het Augustinus College die soms maanden lang geen Nederlands hebben gekregen.''

Het volgende uur heeft de klas Engelse les. De leerlingen doen hun best. Ze lezen de Engelse tekst om beurten hardop voor. Bowen Paulle vertaalt de tekst in het Nederlands en af en toe schiet zijn Nederlands tekort. De leerlingen verbeteren hem en vullen hem aan. De meisjes giechelen om zijn fouten. Even wordt de vredige sfeer verstoord. Eén van de leerlingen roept dat er buiten gevochten wordt. Iedereen schiet naar het raam. Er is echter niets aan de hand. Maar ze blijven staan om niets te missen, mocht er toch iets gebeuren. Bowen Paulle krijgt de kinderen met moeite terug naar hun plaats. Toch zegt hij na afloop: ``Dit was een fantastische les. Ze luisterden en deden hun best. Soms verlaat ik het lokaal bijna depressief. Dan vraag ik me af of ik ze wel iets kan leren in plaats van ze bevestigen in hun marginale positie.''