Vliegende kiep

Hij zweeft een halve meter boven de grond, het pezige lichaam horizontaal gestrekt. Aan de positie van de vuist in de linkerhandschoen, vlak voor de doelpaal, kun je zien dat zijn tijgersprong ook ditmaal het lederen monster wist te stoppen. Zo te zien is hij een jaar of vijfentwintig. Wegens de ouderwetse snit van de voetbalkistjes aan zijn voeten, die net niet helemaal scherp in beeld zijn, is het beeld te dateren juist vóór de oorlog de echte, niet zo'n video-conflict tussen onbemande kruisraketten en in lompen gehulde baardkoppen. Die geweldige vliegende man is mijn vader die, toen deze oeroude foto werd gemaakt, doelman was van het eerste elftal van Kampong.

Ook mijn broer kon goed keepen, maar ik heb het nooit verder geschopt dan hoekvlag. Toch voel ik mij een echte zoon van mijn vader, maar dan op andere manier. Mijn rol als theoretisch sterrenkundige is vergelijkbaar met die van een doelman. Zoals een elftal uit tien veldspelers bestaat en één keeper, zo is de meerderheid van de onderzoekers in een sterrenkundig team bezig met het bedenken en uitvoeren van waarnemingen. Slechts enkelen houden zich bezig met de theorie. Dat zijn dan ook meestal mensen die weinig of geen sterrenkunde hebben gestudeerd; vaak raken zij via de theoretische natuurkunde bij de astronomie betrokken. Een theoretisch astronoom is dus een astrofysicus.

Het is onvermijdelijk dat de nadruk ligt op de waarnemingen. Die zijn het alfa en het omega van de natuurWetenschap & Onderwijs. De observaties genummerd alfa, bèta en gamma kunnen nog toeval zijn, maar bij epsilon ziet de onderzoeker al dat er iets interessants aan de hand is, en tegen de tijd dat je de letter mu hebt bereikt is er een herkenbaar patroon ontstaan. Om dit te verklaren heb je een theoreticus nodig. Een goede theorie kan niet alleen de meeste waarnemingen beschrijven, maar ook voorspellingen doen over dingen die nog niet gemeten zijn. Daarmee gaan de waarnemers aan de slag, en soms blijkt de theorie te kloppen. De rest van het alfabet wordt afgewerkt: nu, omicron, pi, en bij iedere stap neemt het vertrouwen in de theorie toe.

Dan komt de fatale Omega: een waarneming die de theorie onderuithaalt. Je kunt het als theoreticus nog zo mooi bedenken, maar in een meningsverschil met de Natuur trek je onveranderlijk aan het kortste eind. Dan begint de cyclus opnieuw, ditmaal een treedje hoger op de kennisladder. Dat maakt het vak zo spannend: je moet het als waarnemer wel erg bont maken of veel pech hebben wil je platzak van de telescoop terugkomen, maar in de theorie is falen de norm. Een onthutsende hoeveelheid briljante ideeën kan, na confrontatie met het waargenomen materiaal, recht de prullenbak in. Wie daar niet tegen kan, moet een ander vak zoeken: astrofysica is niet voor watjes.

Doelman en veldspelers verschillen ook in de gevolgen van hun blunders. Een spits kan na een dozijn afzwaaiers toch het winnende doelpunt scoren, maar een keeper die twintig schitterende reddingen verricht en daarna een onhandig geplaatste terugspeelbal mist, kan na afloop van de wedstrijd thuis gaan douchen. Vandaar dat de doelman soms als pispaal wordt gezien. Zie bijvoorbeeld de recensie Een en al eenzaamheid die Paul Onkenhout in de Volkskrant schreef over Hans van der Meers boek Keepers. Ik weet ongezien dat die plaat van mijn Pa niet in dat boek staat: veel te trots, te actief, te mooi. Zijn held was Frans de Munck, de Zwarte Panter. Zelf heb ik voor altijd een filmpje met Van de Sar in mijn hoofd. Een vent zonder end. Slentert zijn hok uit, recht naar de tegenstander die, scoringsgeil, de bal al op de stip legt. De doelman staart de schutter aan, trekt met z'n wijsvinger zijn ooglid omlaag, en kuiert weer terug tot onder de lat. En vervolgens stopt hij het schot. Hoezo, angst voor de strafschop? Wat nou zielig?

Zo ook in de sterrenkunde: tenzij het bewolkt was, komt een waarnemer altijd wel met iets thuis, en een beetje data-massage maakt er dan ook nog prachtige plaatjes van. Maar op bijna elke populaire lezing die ik geef, krijg ik uit een zaal vol leken wel een of twee vragen waarop ik het antwoord niet weet ja, waarvan ik bijna zeker weet dat ik het nooit zal vinden. Er zijn astronomische en fysische verschijnselen waarbij ik tranen van frustratie in mijn ogen krijg omdat ik er niet achter kom hoe ze werken. Het feit dat ik wel al een aardig rijtje kerven op mijn revolver heb, is geen troost, net zoals tien vliegende snoekduiken een doelman niet redden die zich éénmaal verkijkt op een vrije schop tegen de zon in.

Waarneemfaciliteiten en waarnemen zijn populair bij plannenmakers en geldschieters, want het gaat daar om concrete dingen. Een modern observatorium in de Atacama-woestijn is een toonbeeld van tastbaarheid, in tegenstelling tot een idee tussen de oren van een promovendus. Zo'n telescoop zie je mooi staan, hoog op die berg, en dat kan je van de algemene relativiteitstheorie niet zeggen. Bij het bouwen van een groot instrument is een scherp gedefinieerd plan noodzakelijk. Bij het uitbroeden van een idee van een theoreticus is het net andersom: een plan zou per definitie langs gebaande paden leiden, en dus weinig nieuws opleveren.

De analogie gaat nog verder. In Nederland hebben wij uitstekende sterrenkundige spitsen, die het veld zo beheersen dat men zonder doelman durft te spelen. Het tienjarenplan van de onderzoekschool NOVA, onlangs gepresenteerd, schrijft de keepers er helemaal uit. In plaats van een echte doelman (of -vrouw) gebruikt men een vliegende kiep. Dat is niet iemand als mijn vader, maar een gewone achterspeler, die in het doel gaat staan zodra de vijand de middellijn passeert. In de sterrenkunde is dat iemand die met behulp van de computer, via bekende rekenmethoden, stapels plaatjes produceert die pretenderen iets te zeggen over de gang van zaken in de diepten van het Heelal. Computational astronomy wordt dat genoemd. Soms wordt zelfs het verwerken van waarneemgegevens als `theoretisch onderzoek' geafficheerd: blijkbaar is het al genoeg als je voor je werk een rekentuig gebruikt. Het echt uitrekenen van bepaalde verschijnselen is een onmisbaar onderdeel van theoretisch werk, maar het is slechts de sluitsteen: de eerste stap is en blijft het idee, de inval, de zweefsprong naar de linkerhoek.

Het resultaat is, dat de Nederlandse sterrenkunde zich de kaas van het brood laat eten. Want in het buitenland heeft men begrepen dat het dom en kortzichtig is om met een vliegende kiep te spelen. In de VS heeft een aantal universiteiten zich al jarenlang op de astrofysica toegelegd. Canada verschafte zich met het Canadian Institute for Theoretical Astrophysics een centrale plaats. In Engeland stichtte de fameuze Fred Hoyle het Institute of Theoretical Astronomy, ondanks taaie tegenstand van de college dons die Cambridge beschouwen als een onderonsje bij een glas oude port. Zelfs Denemarken heeft zijn Nordisk Institut for Teoretisk Astrofysik.

Wat bij ons ontbreekt is een soortgelijke instelling om theoretici op te leiden, te laten werken, en behoorlijk mee te laten delen in de pot onderzoeksgeld. Als je de elftalformule hanteert, zou dat dus tien procent moeten zijn een bedrag dat nu op geen stukken na gehaald wordt, omdat het geld voor instrumenten direct van NWO komt, maar personeel door de universiteiten moet worden betaald.

Een theoreticus is iemand die probeert uit te vinden of iets dat werkt in de praktijk, ook werkt in principe. Lastige mensen meestal, behept met een raar voorstellingsvermogen dat zowel visionair is als voorzichtig. Lastig en raar, maar net zo weinig zielig en even onmisbaar als keepers.