Remmen of niet, inflatie blijft hoog

Waarom is de inflatie, nu 4 procent, zo sterk opgelopen? Dat is vooral terug te voeren op de hete Nederlandse economie van de jaren negentig, toen niemand op de rem trapte.

Het had de grote inflatiedaling moeten worden, de publicatie van de prijsindexcijfers over januari 2002. Vorig jaar was de inflatie wel hoog, met gemiddeld 4,5 procent, maar de belastingverhogingen die waren doorgevoerd in het kader van de verlichting van de inkomstenbelasting, zorgden voor een eenmalige opwaartse vertekening, die er per 2002 weer uit zou vallen. Op naar de gemiddeld 2,5 procent inflatie die het Centraal Planbureau, en ook de meeste analisten voor Nederland verwachten in 2002.

Het is anders gelopen. De vier procent inflatie die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gisteren rapporteerde is een tegenvaller. Er zitten eenmaligheden in het cijfer, zoals de de prijsstijgingen van fruit en groente, de euro en de gasprijzen. Maar daaronder schuilt dan nog steeds een `onderliggende' inflatie van zo'n 3 procent – tussen de een en anderhalf procentpunt hoger dan het vergelijkbare gemiddelde in het eurogebied.

Hoe komt dat? Vast staat dat de Nederlandse economie, van halverwege de jaren negentig tot voor vorig jaar, een van de snelste groeiers in het eurogebied was. Forse werkgelegenheidscreatie bracht het officiële werkloosheidscijfer tot onder de 2 procent. De huizenprijzen stegen de pan uit, zorgden voor een massale (her-)financiering en waardeverzilvering met hypotheken, en stuwden de consumptie op. Probleem is dat er destijds niemand op de rem ging staan.

Nederland heeft sinds de introductie van de euro in 1999, maar in feite al in de jaren daarvóór, geen beleidsvrijheid meer op monetair gebied. De gulden zat steeds vaster aan de Duitse mark, en maakt sinds 1999 deel uit van de – toen nog enkel girale – euro. De gulden kon niet worden opgewaardeerd, en toen de koersen werden vastgesteld waartegen de Europese munten in de euro zouden opgaan, bleek de suggestie dat de gulden misschien iets duurder kon worden ingebracht te gevoelig. Het rentebeleid zat eerst vast aan de Bundesbank in Frankfurt, en daarna aan de Europese Centrale Bank in Frankfurt.

Dat liet uiteindelijk slechts één vrijheidsgraad over voor het beteugelen van de onstuimige Nederlandse economie. En dat is het begrotingsbeleid. Hoewel het begrotingssaldo, volgens het systeem van minister Zalm, positief werd in 2000, met een piek voor het overheidssaldo van ruim 2 procent in 2000, is er misschien te weinig gebruik gemaakt van dit instrument. En had het overschot eerder, en hoger, moeten oplopen om de economie wat meer af te remmen. ,,Dit is de prijs die we betalen voor de jaren waarin het zo goed ging,'' stelt analist P. Van Doesburg, van Dexia Nederland. De trage groei van de arbeidsproductiviteit, die in vijf van de afgelopen zeven jaren achterbleef bij het gemiddelde van de eurolanden, kan een rol spelen. Hoe lager de structurele productiviteitsgroei, hoe lager de economische groei waarboven al loon- en inflatiedruk ontstaat. De Nederlandse lonen stijgen sinds 1997 onafgebroken sneller dan het eurogemiddelde. Laatste relevante factor voor de inflatie is de toename van de binnenlandse geldhoeveelheid. Hoewel dit een wispelturige variabele is, wordt hij gebruikt door de Europese Centrale Bank als indicator of er niet te veel geld rondklotst in de economie. Is dat het geval, dan kan inflatie het gevolg zijn. De Nederlandse geldhoeveelheid, volgens gegevens van de Nederlandsche Bank, groeit nu al sinds de start van de muntunie in 1999 – en overigens ook al daarvóór – procentpunten sneller dan het eurogemiddelde. Allemaal zijn het voorbodes geweest van een inflatiepiekje. De inflatie-effecten van de hete Nederlandse economie van eind jaren negentig spelen zelden direct, maar vaker op de middellange termijn. Die middellange termijn, zo lijkt het, is aangebroken.