Pippi in de breedte

Astrid Lindgren inspireerde schrijvers tot kinderboeken van verfrissend twijfelachtige opvoedkundige waarde, signaleert Pieter Steinz in zijn literaire stoomcursus.

`Prijzen worden geweigerd' stond er naar verluidt op de deur van de vorige week overleden Astrid Lindgren. Toch ontbraken er twee blijken van waardering op Lindgrens palmares: de Nobelprijs voor literatuur, die op het hoogtepunt van haar roem in 1974 werd toegekend aan twee andere Zweden, onder wie de door Lindgren bewonderde Harry Martinsson; en een eigen schema in de serie De wereldliteratuur in 52 weekends. Het laatste wordt hierbij goedgemaakt.

De carrière van Astrid Anna Emilia Lindgren (geboren Ericsson op 14 november 1907) is een mooie ontkrachting van de uitspraak `Een ongelukkige jeugd is een goudmijn voor een schrijver.' Wie haar autobiografische herinneringen leest in Het land dat verdween (1975, een nieuwe Nederlandse editie komt volgende week uit bij Ploegsma), krijgt het beeld van een zuid-Zweedse plattelandsidylle, een jeugd vol veilige avonturen met zusjes en broertjes en ouders die elkaar adoreerden. Dat Lindgren schrijfster werd, was dan ook een kwestie van toeval; ze begon op 34-jarige leeftijd aan haar debuut Britt-Marie lucht haar hart (1944) toen ze door een winterse val haar enkel verstuikte. Een jaar later publiceerde ze Pippi Långstrump en daarna bleven de succesboeken komen, in rotten van drie: van de Superdetective Blomquist-, de Bolderburen- en de Karlsson van het dak-boeken tot sprookjes als De gebroeders Leeuwenhart (1973) en Ronja de roversdochter (1981).

De invloed van Lindgren op de jeugdliteratuur kan niet overschat worden. Haar boeken, geschreven volgens de methode-Schopenhauer (`ongewone dingen zeggen in gewone woorden') en wemelend van de anti-autoritaire figuren, beïnvloedden alleen al in Nederland tientallen kinderboekenschrijvers. De beroemdste is Annie Schmidt, die met Floddertje en Pluk van de Petteflet Nederlandse equivalenten schiep voor Pippi en Karlsson van het dak; maar in haar kielzog schreven ook Guus Kuijer (Madelief, Polleke) en Joke van Leeuwen (Bobbel, Iep) kinderromans van verfrissend twijfelachtige opvoedkundige waarde. In het buitenland was de succesvolste Lindgren-leerling wel Roald Dahl, die de vrolijke anarchie van de Pippi- en Karlssonboeken moderniseerde met zwarte humor en gruweleffecten.

Lindgrens boeken verschenen in 50 talen en werden verspreid over de hele wereld. Je kunt je afvragen welk kind niet met haar creaties is opgegroeid, en dus ook welke na-oorlogse beschrijvers van non-conformistische helden niet door haar beïnvloed zijn. Gerard Reve misschien, wiens Werther Nieland (1949) een Pippi pendant-la-lettre is. Maar Raymond Queneau, John Irving, Kees van Kooten en Marek van der Jagt zijn zonder twijfel Lindgren-kinderen. En ook het alter ego van Marek van der Jagt, Arnon Grunberg, is overduidelijk schatplichtig aan Lindgrens licht-absurdistische stijl en haar voorkeur voor plotloze maar samenhangende humoresken. Nadat Grunberg in een hilarisch stuk in deze krant Karlsson ruim vijf jaar geleden tot zijn grootste literaire held had uitgeroepen, liet hij zijn boekenweekgeschenk De heilige Antonio (1998) voorafgaan door een motto uit Karlsson van het dak: `Als ik een verzinsel ben, dan ben ik toevallig wel het beste verzinsel ter wereld.'

Een waarheid als een koe – al zal de `verstandige man in zijn beste jaren en net dik genoeg' de eer moeten delen met het ijzersterke meisje met uitstaande vlechtjes en een brutale sproetenkop.

Pieter Steinz: steinz@nrc.nl