Pietje Stip

Afwasbaar

Schrijf zachtjes met krijt op mijn zerk:

`Zijn zwakheden waren te sterk

om niet te vermelden:

een haas tussen helden,

een ketter in iedere kerk.'

Kees Stip

Begin vorig jaar overleed Kees Stip. Hij werd 88. Een paar weken later deed Pietje zijn entree in ons gezin, een stevige cyperse kater die na de dood van de dichter thuisloos was geraakt. Hij arriveerde in een bruine verhuisdoos. Omdat hij vanuit Oost-Groningen naar de Randstad moest komen had ik met Dodo, Kees' aangenomen dochter, afgesproken op een benzinestation in het midden van het land. Daar werd de doos met Pietje vanuit haar auto in de mijne overgeladen, wat de handeling iets verdachts gaf. Achtergebleven met een nagelaten fles Italiaanse witte wijn en een stapeltje eerste drukken zagen Pietje en ik Dodo's BX in de richting van Duitsland verdwijnen, waar ze woonde. Ze had mooie, gevoelige ogen.

Op de terugweg steeg van de achterbank een klaaglijk gemiauw op. En dat niet alleen, want Pietje bleek als de vrucht van zijn angst zelf ook nog een eerste druk geproduceerd te hebben, een tropische verrassing in Groningse melkchocolade die een meer dan doordringende lucht verspreidde. Niettemin werd hij in zijn nieuwe onderkomen door mijn vrouw en kinderen met gejuich begroet.

Eenmaal schoongeboend verdween hij onder het dressoir om er pas na anderhalve dag weer onder vandaan te kruipen. Hij keek rond als een kat in een vreemd pakhuis. Toch wende hij snel, al liet hij zich in het begin door onze andere kater op zijn kop zitten.

Nu, als het Pietje te gek wordt, veegt hij met kalme, rake halen het parket aan met zijn jaloerse soortgenoot, als een boer die het erf bezemt. Daarna vlijt hij zich weer dik en tevreden op de leuning van de bank. Door Pietje denk ik nog vaak aan Kees Stip.

Ik ontmoette de dichter voor het eerst door een artikel dat ik schreef ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag. Omgeven door een geur van verse koffie en appelbloesem keken we hoe de zon boven het met mos begroeide dak van zijn kleine witte boerderij uitklom en luisterden we naar het fluiten van de vogels. Als mijn aanwezigheid hem even te veel werd, schuifelde hij op zijn geruite pantoffels naar de keuken om iets lekkers klaar te maken, op de voet gevolgd door een bonte stoet van huisdieren en kleinvee.

Nu ik eraan terugdenk waren er een paar dingen die me verwonderden. Ten eerste dat hij, hoewel hij 1001 dierengedichtjes had geschreven, inderdaad zoveel van dieren hield en ten tweede de specialiteit van het huis, de krentenbol-Prins Hendrik. De krentenbol-Prins Hendrik was een krentenbol belegd met rookvlees, die zijn oorsprong had in de tijd dat de jonge korporaal Stip het geweer moest presenteren bij de begrafenis van koningin Emma. Toen de stoet was gepasseerd en de garde op de plaats rust was vergund, werd die verrast door de vroeg terugkerende koninklijke koets, waarin een zwart gordijntje opzij werd geschoven en het rode hoofd van Prins Hendrik verscheen, uit zijn mond een enorme lap tong tevoorschijn toverend die zich langzaam in de richting van een krentenbol bewoog. ,,Jaja'', zei de dichter, ,,een koningin was gestorven, maar een culinair hoogstandje geboren.''

Dat waren leuke stukjes om op te schrijven. Over Katja, zijn overleden vrouw, sprak hij met een aandoenlijke tederheid. In en rond het huis was haar hand nog overal voelbaar. Toen ik wegreed, wilde ik dat ik zo'n opa had, dat weet ik nog goed. Op de hoedenplank lagen twee ganzeneieren zacht te glanzen.

Daarna hielden we spaarzaam maar plezierig contact. Heel blij was ik met zijn vraag of ik in mijn tijdschriftje De Koperen Ploert een voorpublicatie van een nieuw bundeltje van hem zou willen opnemen. Het is er niet meer van gekomen: kort daarna las ik zijn overlijdensbericht.

Dat boven dit wat late in memoriam toch een niet eerder afgedrukte limerick is opgenomen is te danken aan de dichteres Patty Scholten, die haar carrière ooit als Kees' protégé begon. Naarmate de jaren vorderden, draaiden hun rollen langzaam om en restte haar uiteindelijk de droeve taak van de schillen en de dozen. Patty dacht dat hij deze kleine postume bijdrage wel op prijs gesteld zou hebben. Ik denk dat ook wel. Zelf, zei ze, was ze ook eens aan een verhaal over de dichter begonnen: `De man die de wespen redde'. Als er in Spanje, waar de Stippen een tijdlang een huis hadden, een wesp in de vijver viel, tilde hij hem er voorzichtig uit en hield de vinger met wesp minutenlang uitgestrekt, terwijl het beestje zich droogde, vleugeltjes poetste en bzz weer opsteeg. Hij vertelde haar dit de allereerste keer dat ze hem bezocht en ze durfde niet te vertellen van de wespenval in haar eigen tuin.

Over Pietje tenslotte kort het volgende: tijdens onze vakantie bleek hij ons matras als kattenbak gebruikt te hebben. Nadat ik het bij de vuilnisbak had gezet vond ik bij de post een uitnodiging om een gedichtje over hem te schrijven: dat voor een kleine uitgave ter nagedachtenis aan zijn vroegere baas. ,,Dan weet ik wel een goede titel'', zei mijn vrouw: ,,Op een bed.'' Wat, vind ik, een erg leuk grapje was voor wie bekend is met het werk van de oude meester. Van dat gedichtje is het trouwens niet gekomen. En Pietje gaat weer keurig op de bak.