Oprichting was hard nodig en bracht heil

Dinsdag begint voor het Haagse Joegoslavië-tribunaal het proces tegen Slobodan Miloševic. Op deze pagina kruisen tegenstander Christopher Black en voorstander Frits Kalshoven alvast de degens. Schertsrechtbank of nuttig gelegenheidstribunaal?

`Misdaden tegen het internationale recht worden begaan door mensen, niet door abstracte entiteiten, en slechts door het straffen van individuen die zulke misdaden plegen kunnen de regels van het internationale recht worden afgedwongen.'' Aldus het Neurenberg-tribunaal in 1946.

Dat in het bijzonder oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide schendingen van het internationale recht opleveren staat buiten kijf. Ook betwist niemand dat zulke daden door mensen worden gepleegd, zelfs wanneer dit gebeurt onder de dekmantel van een `abstracte entiteit', zoals de staat.

Een andere vraag is of bestraffing van individuele daders de enige methode is om naleving van de regels af te dwingen. Mijn instinct zegt dat voorkomen beter is dan genezen en van de genezende kracht van strafrechtstoepassing ben ik ook niet altijd overtuigd. Maar ik wil hem zeker niet uitsluiten.

In ieder geval: de partijen bij het Genocide Verdrag van 1948 bevestigen dat genocide een misdrijf is naar internationaal recht, ,,dat zij op zich nemen te voorkomen en te bestraffen''. En de vier Conventies van Genève van 1949 verplichten partijen om effectieve strafsancties te voorzien voor personen die zich in een internationaal gewapend conflict schuldig maken aan ernstige inbreuken op die verdragen. Hiermee was de sinds mensenheugenis bestaande algemene bevoegdheid van staten om oorlogsmisdrijven te bestraffen versterkt met een plicht om iets te doen aan deze allerergste inbreuken.

De rest van de eeuw bracht een niet aflatende reeks gewapende conflicten: bevrijdingsoorlogen en postkoloniale conflicten; de socio-economische conflicten in Latijns Amerika; nu en dan een regulier internationaal gewapend conflict: India-Pakistan, Irak-Iran; een echte invasie: Irak-Koeweit.

De meeste waren nogal vuil, sommige zelfs heel smerig. Bestraffing van individuele daders kwam wel eens voor (My Lai) maar bleef uitzondering. Latijns Amerika raakte in dit opzicht berucht, door wat er gebeurde maar vooral door de haast systematische `impunidad'.

Lang bleven pogingen om van buitenaf het gedrag van de oorlogvoerenden te beïnvloeden beperkt tot oproepen van de Verenigde Naties en de activiteiten van het Internationale Comité van het Rode Kruis. Over internationale berechting van (hoofd)schuldigen werd wel gedacht en gesproken, maar daar bleef het bij, tot 1991.

In dat jaar viel Joegoslavië uiteen. Om Slovenië was de strijd snel gestreden. De strijd om Kroatië duurde langer en was heftiger, met schendingen van het humanitaire recht aan alle kanten. Maar die werden al snel in de schaduw gesteld door de verschrikkingen van de oorlog die in april 1992 in Bosnië-Herzegovina op gang kwam.

Het uiteenvallende Joegoslavië stond van de aanvang af in het volle licht van de belangstelling: van de media, van mensenrechtenorganisaties, van overheden, van de Verenigde Naties. En de reacties op de stroom berichten over schendingen van het humanitaire recht veranderden al heel snel, van oproepen tot de partijen om de geldende regels in acht te nemen en pogingen om daaromtrent tussen hen te bemiddelen, tot oproepen tot berechting van alle schuldigen en instelling van een internationaal tribunaal.

De VN-Veiligheidsraad volgde, stap voor stap en iets achter de muziek aan: augustus 1992, oproep om informatie over schendingen van het humanitaire recht in het voormalige Joegoslavië bijeen te brengen en aan de raad ter beschikking te stellen; oktober 1992, opdracht aan de secretaris-generaal om een commissie van deskundigen in te stellen tot onderzoek en analyse van het binnenkomende materiaal; februari 1993, interim-rapport van die commissie (waarvan ik toen voorzitter was) met daarin ons oordeel dat instelling van een tribunaal zou dienen te gebeuren ,,door de Veiligheidsraad of een ander bevoegd orgaan van de Verenigde Naties'' en ,,in overeenstemming zou zijn met de richting van ons werk''; zelfde maand, besluit van de raad dat een tribunaal zou worden ingesteld; mei 1993, instelling van het Joegoslavië-tribunaal.

De vraag is nu: wat vind ik van het tribunaal? Ik kan mijn oordeel het best uitdrukken met een variant op de aangehaalde woorden van de commissie van deskundigen: ik acht het tribunaal ,,in overeenstemming met de richting van mijn werk''.

Dat werk beoogt de bevordering van kennis en inzicht in het internationaal humanitair recht en van de naleving en ontwikkeling van dit rechtsgebied. Dit lijken mij ook de functies en effecten van het tribunaal.

Uiteraard kan over de oprichting en functionering van het tribunaal het nodige worden opgemerkt. Ik beperk mij tot twee punten. Het is een gelegenheidstribunaal, voorlopig alleen voor Rwanda nagebootst: al die andere `vuile oorlogen' brachten de internationale gemeenschap niet tot gelijke actie. Dit valt die gemeenschap te verwijten, niet het tribunaal.

Het was de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die het tribunaal oprichtte; niet de Algemene Vergadering noch, wat nog mooier geweest zou zijn, een verdrag. Mijn commentaar, met een variant op een Chinese zegswijze: niet het mooie is goed, maar het goede is mooi.

De oprichting van het tribunaal was bar nodig en daarom goed. Met een citaat uit het Neurenberg-vonnis: ,,Met betrekking tot de samenstelling van het Hof, is al dat de gedaagden gerechtigd zijn te vragen, een eerlijk proces dat rekening houdt met de feiten en de wet''.

Mij dunkt dat het tribunaal zich in dit opzicht, van de buitengewoon moeilijke beginperiode af, op bewonderenswaardige wijze van zijn taak heeft gekweten en, nu het wat gemakkelijker gaat, nog steeds kwijt.

Niettemin: wonderen brengt het ons niet; wel heil, zoveel als men van een strafrechter kan verwachten.

Frits Kalshoven is emeritus hoogleraar volkenrecht.