MINDER PRIKKELS, MEER TAAL

Koude en warme limonade en gekleurde bekers: in Het Konijn in Alphen aan den Rijn leren kinderen vanaf twee jaar omgaan met taal terwijl ze met elkaar praten en spelen.

In peuterspeelzaal Het Konijn in Alphen aan den Rijn hangen posters van sneeuwpoppen. Op een plank staan prentenboekjes over sneeuw en ijs en in de kast liggen puzzels over `winterpret'. Leidster Kitty Croes zit aan tafel met een stapel gekleurde plastic bekers en een kan limonade. ``De limonade is koud. Dan is ie niet warm. Voel maar'', zegt ze tegen de kindjes om haar heen. ``Uit welke kleur beker wil jij drinken, Ladan?'' vraagt ze aan een meisje met staartjes en een fluweelzachte groene trui. Ladan (3) wijst een blauwe beker aan. ``Zeg het maar, kindje'', dringt Croes aan. ``Kweenie'', fluistert het meisje met gebogen hoofd. ``Tja, dan vraag ik het eerst wel aan Ismaël'', zegt Croes. Gelukkig voor Ladan wil Ismaël dezelfde kleur. ``Blauw'', zegt hij. Dan zegt Ladan het ook en krijgt ze limonade.

Ladan zit in een zogenaamde VVE-groep, wat staat voor Voor- en Vroegschoolse Educatie. VVE is een landelijke regeling. Gemeenten krijgen overheidssubsidie om activiteiten op te zetten met als doel taalachterstand in groep drie van de basisschool te voorkomen. De jongste deelnemertjes zijn twee jaar. Zij gaan twee keer per week drie uur naar de peuterspeelzaal. De driejarigen gaan vier keer drie uur. In vergelijking met de normale twee ochtendjes van tweeëneenhalf uur, is dat behoorlijk intensief.

Op Het Konijn leren de kinderen rustig in een kring te zitten, knippen, plakken, spelletjes doen en samen spelen. En alles draait om taal: praten en luisteren. Iedere paar weken wordt een nieuw thema gekozen waarbinnen boekjes worden gelezen, puzzels worden gemaakt en knutsels gefabriceerd. Nu is dat thema `winter', hiervoor was het `kleding'. Als ze materiaal tekort komen, maken de leidsters het zelf. Voor het thema `kleding' hadden ze een prachtig klerenkastje gemaakt waarin met klittenband broekjes, shirtjes en jurkjes waren bevestigd om `Muis' (van de boeken van Lucy Cousins) mee aan te kleden. De aankleding van het lokaal is rustiger dan in een `normale' peuterspeelzaal. Minder prikkels, meer concentratie is de gedachte.

De groep van Ladan bestaat uit zestien kindjes, van zes verschillende nationaliteiten. Daarnaast is er nog een groep van twaalf kindjes van twee jaar. En er staan twintig kinderen op de wachtlijst. ``We hebben geen ruimte meer'', vertelt Monique Haveman, coördinator VVE-traject. Aan aanmeldingen dus geen gebrek. Daarvoor zijn onder andere drie consulenten verantwoordelijk. Selma Özel, Asha Houssain en Saïda Yachou werven klantjes in de bevolkingsgroep waar ze zelf uit afkomstig zijn: Turks, Somalisch en Marokkaans. Het is een beetje het geheim van het succes, denkt Haveman. ``Zij kunnen mensen in hun eigen taal aanspreken, kennen veel mensen en zetten zich met hart en ziel in.''

Dat komt omdat ze weten hoe belangrijk het is. Selma Özel en Saïda Yachou hebben zelf ook kleine kinderen en zijn sterk voor het vroeg beginnen met het Nederlands. Yachou: ``Ik was zes toen ik hier kwam. Van de ene dag op de andere moest ik naar school en ik verstond geen woord van wat de juffrouw zei. Ik ben zelfs wel eens van school weggelopen, naar huis, omdat ik het zo vreselijk vond. Dat wilde ik vermijden voor mijn zoon.''

De consulentes bemiddelen tussen de peuterspeelzaal en de ouders als daar behoefte aan is. Als de leidsters de ouders moeten vragen of zij hun kind mogen observeren bijvoorbeeld. De leidsters, allen gediplomeerd en ervaren, houden dossiers bij van de vorderingen van de kinderen. Om de band met de ouders te verstevigen gaan de leidsters samen met de consulentes bijeenkomsten met ouders organiseren, waarin de verschillende thema's aan de orde komen en welke woorden en uitdrukkingen daarbij horen. ``Dan kunnen de ouders daar in hun eigen taal ook op ingaan'', legt Özel uit.

Voor Alphen aan den Rijn is het VVE-traject het logische vervolg op het Springplank-project. Daarmee begon `Kom Erbij', de werkgever van Haveman en de drie consulentes, eind 1999. `Kom erbij' is onderdeel van de Stichting voor Opvoedingsondersteuning (S&O) in Gouda. Het Springplank-project had minder hoge ambities dan het VVE-traject. ``Hiermee wilden we vooral meer kinderen naar de peuterspeelzaal krijgen'', zegt Haveman. Uit onderzoek van de consulentes bleek dat het binnen hun eigen netwerk van mensen bedroevend gesteld was met de bekendheid met een peuterspeelzaal. Yachou: ``Sommigen spreken niet goed Nederlands en voor hen is het moeilijk om zelf naar een peuterspeelzaal toe te stappen. Veel moeders dachten dat de peuterspeelzaal bedoeld was voor kinderopvang. Ook zagen veel moeders het belang er niet van in. Ze dachten dat kinderen er `alleen maar' speelden. Veel moeders vonden de kosten, maximaal 58 euro per maand, te hoog.''

Kom Erbij stelde een plan op om al deze problemen te tackelen: een allochtone leidster op de groep, consulentes laten bellen als een kindje twee wordt, persoonlijk helpen bij het inschrijven en, niet onbelangrijk, gemeentesubsidie op de ouderbijdrage in het eerste half jaar. Met subsidie werd een `instroomgroep' opgericht waarin kindjes konden wennen voor ze overgingen naar de `gewone' peuterspeelzaal.

Selma Özel, Saïda Yachou en Asha Houssain kregen de eerste groep van twaalf kinderen moeiteloos vol. In twee jaar tijd konden zij zo een kleine honderd kinderen bereiken. Het enige probleem is dat Springplank daarmee een vrij exclusief allochtoon project werd. ``Autochtone kinderen, die ook met talige of sociaal-emotionele achterstand kampen, zijn voor ons moeilijker te bereiken. Die komen alleen hier als ze worden doorverwezen door het consultatiebureau of de huisarts'', vertelt Haveman.

Het VVE-traject stopt niet na de peuterspeelzaal. Hoofddoel is juist dat er een doorgaande lijn is naar het basisonderwijs. Daarom betaalt de gemeente vier dagdelen een extra onderwijsassistent en wordt gewerkt met de methode Ik en Ko, die sterk gericht is op taalverwerving. Het ligt in de bedoeling dat het jongere broertje van Ik en Ko (Peuter en Ko) op de peuterspeelzaal gebruikt zal worden. Spelen wordt dus steeds meer leren.

Rahma Yusuf, Somalische en moeder van drie kinderen, schudt haar hoofd maar eens als ze dit hoort. ``Leren, leren, ik geloof dat kinderen nergens zo jong moeten leren als hier in Nederland.'' Maar toch vindt ze het fijn dat haar dochter Ayan (net 4) naar Het Konijn kon. ``Daar kon ze met andere kindjes spelen. Als ik haar ging halen wilde ze nooit mee naar huis.'' Rahma had niet veel schroom om naar een peuterspeelzaal te gaan. Zij vroeg het gewoon aan haar buurvrouw toen ze in Alphen kwam wonen. Hülya Agca, Turkse, moeder van drie zoons, had daar meer moeite mee. Ze is blij dat Selma Özel haar belde toen haar jongste zoon Emre twee werd. Ook Emre gaat inmiddels naar de basisschool. ``Hij moest helemaal niet huilen. Hij durft ook gewoon Nederlands te praten en iets te vragen. Het is alsof hij al jaren op school zit, zegt de juf.''