Lastig balanceren in rechtspolitiek niemandsland

Op welke gronden mag het Haagse tribunaal oorlogsmisdadigers opsporen en veroordelen? Veel van de regels waren in de praktijk nog nooit getoetst.

Het VN-straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië is aan de vooravond van het proces tegen Miloševic een begrip geworden. Maar het Joegoslavië-tribunaal trad (samen met het parallelle tribunaal voor Rwanda) in 1993 aan in een rechtspolitiek niemandsland. Er bestond wel het precedent van de geallieerde tribunalen van Neurenberg en Tokio voor de berechting van Duitse en Japanse oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog. Deze processen maakten duidelijk dat het volkenrecht rechtstreeks verplichtingen bevat voor individuele personen, die strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Maar daarna is het internationale recht angstwekkend stil gebleven terwijl het werd geconfronteerd met gruwelen in Chili, Argentinië, El Salvador, Cambodja en ga zo maar door.

Binnen de Verenigde Naties werd in de jaren na de Tweede Wereldoorlog wel geprobeerd een internationaal strafhof op te richten, maar dat werd geblokkeerd door de Koude Oorlog. Pas in 1998 kwam in Rome een statuut voor een internationaal strafhof tot stand – vijf jaar na de vorming van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

Dit tribunaal werd begroet met scepsis. Het was indertijd ook lichtelijk bizar om de speciale afgezant van de VN, Cyrus Vance (de onlangs overleden Amerikaanse staatsman), door één deur te zien gaan met lieden als Miloševic en Karaď­zic, terwijl zijn hoogste opdrachtgever tegelijkertijd bezig was als het ware een schavot voor zijn gesprekspartners en consorten in elkaar te timmeren. Was het tribunaal niet slechts een schaamlap voor het schuldgevoel van de beschaafde wereld over de gruwelen die zich ongehinderd onder haar ogen bezig waren te voltrekken?

Het Haagse tribunaal was een ad hoc-gerecht, opgericht door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Resolutie 827 van 25 mei 1993, waarbij dit gebeurde, liet behalve veel politieke vragen ook juridische vragen open over de inrichting van het gerecht, de opsporing en bewijsvoering en niet in de laatste plaats de rol van de aanklagers – bij wie de sleutel berust voor de procedure. Op zichzelf waren dat geen onoplosbare problemen. Bij de oprichting van het Neurenberg-tribunaal hadden de vier geallieerde partijen in 1945 binnen zes weken van formele onderhandelingen in Londen de antwoorden gevonden op dit soort vragen. Het statuut voor het Joegoslavië-tribunaal was in acht maanden rond.

Het Joegoslavië-tribunaal had twee voordelen, zoals een van de rechters het bij zijn installatie uitdrukte: dit was het eerste tribunaal dat niet pas na afloop van een oorlog van start ging en bovendien werd het niet opgericht door de overwinnaars maar door de hele internationale gemeenschap. Dat noemde hij ,,twee grote doorbraken ineens''. De bevoegdheid van de VN-Veiligheidsraad om zo'n tribunaal in te stellen, is in de eerste Haagse zaak, tegen Dusko Tadic (1995), aangevochten, maar het tribunaal maakte daar korte metten mee.

Er is sinds Neurenberg nog iets anders veranderd. Sedertdien is in internationaal verband een solide `body of law' tot stand gebracht over mensenrechten in het algemeen en het humanitaire oorlogsrecht in het bijzonder. Na de Rode Kruis-verdragen van Genève (1949) kan geen partij bij een gewapend conflict met droge ogen ontkennen dat er universele normen voor vijandelijkheden bestaan. Genocide en tortuur zijn respectievelijk in 1948 en 1984 door afzonderlijke mondiale verdragen in de ban gedaan.

Een vraagstuk blijft de juridische precisie die vereist is om in het concrete geval tot een uitspraak te komen. Het statuut van de Veiligheidsraad voor het Joegoslavië-tribunaal nam niet weg dat het moet werken met rechtsregels die voor het grootste deel nog nooit internationaal zijn toegepast. Praktisch zit er een groot gat tussen Neurenberg en Den Haag. Een commentator sprak beeldend van ,,het juridisch equivalent van een mondiaal toneelstuk, geschreven in een Esperanto dat niemand echt heeft geleerd''.

Een probleem was al direct het onderscheid dat de Geneefse Conventies maken tussen internationale en interne gewapende conflicten. In de zaak-Tadic heeft het tribunaal, mede aan de hand van nationale praktijken, een belangrijke invulling gegeven aan de individuele aansprakelijkheid in deze ,,troebele soep'', zoals de Nederlandse volkenrechtsgeleerde Kooijmans het heeft genoemd.

Het gaat wat ver om, zoals een Amerikaanse commentator deed, het tribunaal te betitelen als ,,een juridische Toren van Babel''. Maar het tribunaal kreeg wel te maken met de verschillen tussen de Angelsaksische `common law'-traditie en de continentaal-Europese `civil law'. Een voorbeeld daarvan is de zaak-Erdemovic (1997). Deze draaide om een klassiek twistpunt. De verdachte gaf toe dat hij weerloze gevangenen had doodgeschoten maar zei dat hij geen keus had: als hij dit niet deed zou hij zelf worden doodgeschoten samen met de gevangenen. De `continentale' rechtsopvatting zegt dat niet van iemand kan worden gevergd zijn eigen leven te offeren voor dat van anderen. De Angelsaksische leer zegt dat het nemen van andermans leven nooit kan worden gepardonneerd en dat de dwang alleen kan worden verdisconteerd in de strafmaat. Een meerderheid van de Kamer van beroep koos ten slotte voor de laatstgenoemde aanpak.

Bij de Angelsaksische benadering hoort dat de minderheid in het hof zijn `dissenting opinion' aan het vonnis mag hechten, zoals in de zaak-Erdemovic ook gebeurde. Dat kan de basis zijn voor een andere rechtsontwikkeling. Angelsaksisch is ook de stelregel dat een verdachte niet bij verstek kan worden berecht, ondanks het bezwaar dat dit een premie vormt op het zich onttrekken aan de justitie.

Het tribunaal heeft dit bezwaar ondervangen door het uitvaardigen van een formele inbeschuldigingstelling annex arrestatiebevel waardoor de bewegingsvrijheid van de aangeklaagde in de praktijk fiks wordt beperkt. De Veiligheidsraad heeft alle VN-leden gelast het tribunaal medewerking te verlenen. Volgens het VN-Handvest is dat een harde verplichting, maar de uitvoering blijft een punt van zorg.

Het VN-tribunaal heeft invulling gegeven aan de aansprakelijkheid voor genocide (etnische zuivering gold als zodanig niet als oorlogsmisdrijf) en systematische verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid. De recente vrijspraak in hoger beroep in het geval van het dorpje Ahmici wijst overigens op een handicap van het gerecht: het heeft een sterke inbreng van experts in het volkenrecht, maar dat moet niet ten koste gaan van de inzet van ervaren strafrechters.

Beide disciplines zijn zeker van belang in de zaak-Miloševic waarin het gaat om het goeddeels nog onontgonnen vraagstuk van `command responsibility', de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leiders.