Jammen met de fiscus

De moderne artiest moet verzakelijken. Maar hoe past boekhouden in het gevoel van seks, drugs en rock-'n-roll? ,,Als ze eenmaal belastinggeld hebben ontvangen, zijn ze snel overtuigd'', zegt de belastingadviseur. Alleen: wie mag zich artiest noemen?

Begin geen band. De tijden dat er onbezorgd op los kon worden gespeeld zijn voorbij. Dat proces zette eind jaren tachtig in, toen het aantal decibellen dat een muziekgroep mocht produceren door de autoriteiten aan banden werd gelegd. Bij het overschrijden van de geluidslimiet begon in veel cafés boven het podium opeens een rode lamp te knipperen.

De inkapseling door de overheid van de muziekscene vond zijn apotheose vorig jaar, toen nieuwe belastingregels gingen gelden voor muzikanten en artiesten in het algemeen. Het gevolg van de nieuwe regels is dat bands nauwkeurig een complete administratie moeten bijhouden. Artiesten zijn daardoor aan het verzakelijken, constateert Ben Schoenmaker (36), belastingadviseur voor podiumkunstenaars in Amsterdam.

,,Het is wennen voor ze'', zegt Schoenmaker. ,,De discipline die het vereist besteden ze – begrijpelijk – liever niet aan boekhouding maar aan het bespelen van hun instrument. Maar als ze voor het eerst belastinggeld hebben teruggekregen, zijn ze snel overtuigd. Het levert geld op.''

Artiesten moesten tot 2001 voor elk optreden een `loonverdelingsverklaring' invullen. Daarop moest de ontvangen gage worden verdeeld in inkomen enerzijds en onkosten anderzijds. De meeste bands zetten hun `loon' helemaal bij de onkosten om geen belasting te hoeven betalen. Ook voor de podia bespaarde deze wijze van verrekenen een hoop administratie en belastinggeld.

De belastingdienst meende omvangrijke fraudepraktijken te hebben ontdekt en veranderde de regels. Voortaan moesten artiesten vóór een optreden een `beschikking' aanvragen bij de fiscus. Een belastinginspecteur moest van te voren toestemming geven voor het opvoeren – door de artiest – van bepaalde onkosten. Daarvoor moest een begroting worden overlegd. De podia schreeuwden moord en brand: muzikanten hebben de reputatie laks te zijn, de nieuwe papierwinkel dreigde daardoor vooral op hun bord terecht te komen. Sommige muziekcafés schrokken zo erg dat ze stopten met livemuziek. Grote muziekgezelschappen, zoals fanfares en koren, moesten opeens voor ieder lid afzonderlijk zo'n beschikking aanvragen.

Volgens Schoenmaker joeg de fiscus achter spoken aan. De inspecteurs dachten dat er veel werd gesjoemeld. Dat de onkosten in werkelijkheid lager waren. ,,Veel beginnende bands spelen echt tegen onkosten'', zegt Schoenmaker. ,,Ze komen daar makkelijk aan. Snaren en plectrums kosten geld. Dan zijn er de repetitiekosten. Om op te treden moet naar een locatie worden gereisd. Vóór het opbouwen van de apparatuur wil men misschien een hapje eten, enzovoort.''

Ongeveer 80 procent van alle optredens in Nederland wordt verzorgd door beginnende of onbekende bands. Zij verdienen tussen de 225 en 680 euro per optreden, maar meestal ligt de gage in de buurt van de ondergrens. Dat bedrag moet onder een aantal bandleden worden verdeeld. Het bedrag dat ieder bandlid dan overhoudt, is waarschijnlijk zelfs minder dan de werkelijke onkosten die zijn gemaakt.

De nieuwe artiestenregeling zorgde voor een storm van protest. Via internet werd een emailpetitie rondgestuurd die uiteindelijk door bijna 15.000 mensen werd ondertekend. In februari 2001 werd deze aan staatssecretaris Wouter Bos van Financiën aangeboden. Het hielp. In mei 2001 kwam de regering met een aangepaste regeling. Een artiest (of bandlid) mag tegenwoordig per optreden maximaal 300 gulden (136 euro) als onkosten opvoeren zonder dat hiervoor vooraf toestemming hoeft te worden gevraagd aan de fiscus. Aan het einde van het jaar moet een muzikant met bonnen kunnen aantonen dat hij bepaalde onkosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt. Grote muziekgroepen kunnen volgens de nieuwe regeling één beschikking aanvragen voor het hele gezelschap.

Het is ,,een vrij goede regeling'', zegt Schoenmaker, die samen met collega's de belastingdienst heeft geadviseerd over aanpassing ervan. ,,Als je geregeld meer dan 300 gulden per persoon per optreden verdient, ben je volgens mij al snel prof of semi-prof. Dan doe je er goed aan een andere rechtsvorm te kiezen, zoals een vereniging of maatschap.''

Een onopgeloste kwestie blijft de ondernemersaftrek (in 2000 bijna 17.000 gulden) waarvan sommige artiesten gebruik maken. Artiesten mogen zich namelijk nu nog inschrijven als ondernemer. Via de artiestenregeling blijven ze een beroepskostenaftrek genieten en bouwen ze ww-rechten op. Dankzij het ondernemerschap beschikken ze bovendien ook over een gigantische extra aftrekpost. En een gewone ondernemer bouwt geen ww-rechten op. Aan dit eten van twee walletjes wil de overheid een einde maken. Schoenmaker vindt dat artiesten meer gebruik zouden moeten maken van de ondernemersaftrek. ,,Muzikanten zijn in feite zowel artiest als ondernemer. Dus vanuit financieel oogpunt is het aantrekkelijk om een soort ondernemerschap aan je artiestenstatus te koppelen. Je bent een dief van je eigen portemonnee als je die mogelijkheden niet onderzoekt.'' Van de ondernemersaftrek kan met terugwerkende kracht gebruik worden gemaakt.

Wat de overheid betreft zullen muzikanten in de toekomst moeten kiezen of ze artiest of ondernemer zijn. Maar zo eenvoudig ligt die keuze niet, want wie mag zich eigenlijk artiest noemen? Vraag het de fiscus. De belastingdienst heeft speciale teams die per geval beslissen of iemand een `echte' is. In het geval van muzikanten geeft dat weinig problemen. Maar dj's worden door de inspecteurs niet altijd als podiumkunstenaars gezien. Die draaien toch alleen maar andermans plaatjes?