Een regiment vleermuizen

De Duitsers – daar heb je ze weer! Zij waren het die vliegveld Deelen in gebruik namen voor de luchtmacht, zij lieten al die dorpsachtige kazernecomplexen in de buurt bouwen. Eén gebouw deed dienst als casino voor officieren en dat moet ooit een voltreffer hebben gehad. Deze gebeurtenis zal maar in beperkte kring als een bom zijn ingeslagen.

Na de oorlog werd het puin geruimd. De betonnen vloeren, voor zover niet ingestort, bleven liggen, de kelders grotendeels intact. Langzaam aan werden ze toegedekt door bos. Begin jaren tachtig werden er spelende kinderen gerapporteerd. Defensie, beducht voor ongelukken, liet een onderzoek instellen. Daarbij werden in het ondergrondse zo'n tachtig vleermuizen aangetroffen. De kelders werden afgesloten. De kinderen bleven voortaan weg, de vleermuizen bleven komen, nu hun rust was gegarandeerd zelfs in steeds grotere aantallen.

Dit jaar, in januari, werden er 1.125 geteld. Het betreft een zestal soorten, meest meervleermuizen, maar toch ook weer, voor het vierde jaar op rij, die ene vale vleermuis.

De winter van '97 heeft uitgewezen dat dit aantal bij strenge vorst nog met enkele honderden kan oplopen. De winterslaap is voor een vleermuis geen dwangbuis. Hij wordt op gezette tijden wakker, warmt zichzelf een beetje op, gaat wat drinken en bedrijft zo mogelijk zonder veel omhaal de liefde. Zo nodig kan hij dwars door de kou naar een ander verblijf vliegen, waar hij zichzelf dan weer weghangt om door te slapen.

Zoveel vleermuizen bij elkaar, dat maakt deze kelders tot hun grootste overwinteringsplaats in Nederland. Zelfs op Europese schaal maken zulke aantallen indruk.

Organiek berust de zorg voor zo'n locatie bij de Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen. Dat is Defensie, maar er werken voornamelijk burgers. Over de bezigheden van deze dienst, de balans tussen een generale staf aan de ene en de dieren des velds aan de andere kant, zat ik op de Oranjekazerne te praten met Frans Borgonje, Hoofd terreintechniek van de Directie Noord.

,,Wij zitten'', zei hij, ,,in exact hetzelfde planologische circuit als andere instellingen: streek- en bestemmingsplannen, bouw- en milieuvergunningen, noem maar op.''

,,Dus het kan jullie ook gebeuren dat je ergens de bouw moet stopzetten omdat je op kamsalamanders stuit?''

,,Vorig jaar, we zouden op 't Harde een nieuwe wasplaats voor voertuigen neerzetten, en daar zaten inderdaad salamanders in een slootje. Nou bleken het wel geen kamsalamanders te zijn, maar we hebben toch maar eerst een nieuw watertje voor ze gegraven.''

,,Grappig'', zei ik. ,,Je zou toch zeggen dat salamanders het nooit kunnen opnemen tegen het leger, dat er niets urgenter is dan Defensie.''

,,Bij bepaalde projecten'', reageerde Borgonje, ,,zal de minister zich wel op het landsbelang kunnen beroepen om de zaak open te breken. Maar dan praat je over iets in de orde van grootte van een Betuwelijn – dat komt gewoon niet voor.''

Kijk, het zijn natuurlijk militaire terreinen, het militaire gebruik ervan staat dus voorop. Maar vervolgens komt de natuur direct om de hoek kijken. Je wilt ergens met voertuigen kunnen rijden, maar dat hoeft niet ten koste van een dassenburcht te gaan. Oefenterreinen moeten betrekkelijk droog zijn, maar dat wil niet zeggen dat je een nat veldje met een mooie vegetatie meteen maar moet opgeven.

Zo kregen we het over vlinders, nachtzwaluwen, herten, reeën en wilde varkens. En over de heide op 't Harde, waar (noodgedwongen weliswaar, maaien of plaggen is er te gevaarlijk) nog een ouderwets brandbeheer wordt toegepast – twee jaar terug werd daar de wrattenbijter aangetroffen, een sprinkhaantje dat in '87 voor het laatst was gezien op de Hoge Veluwe. Op de Harskamp wordt (om dezelfde reden noodgedwongen) hetzelfde beheer gevoerd over een restantje schraal grasland, en daar bevindt zich de grootste populatie valkruid van Nederland.

Militaire activiteiten brengen dynamiek in het terrein. De door zure regen en ingewaaide meststoffen belaste bodem wordt omgewoeld, schoon zand blootgelegd. Allerlei plantjes, elders kansloos, steken juist hier de kop op. Die dynamiek verklaart misschien ook de gezonde staat van jeneverbesstruiken op 't Harde, vijftig hectaren boordevol jeneverbes, die zich hier, wat elders niet meer gebeurt, nog steeds weet te verjongen.

,,En als de natuur jullie geld kost?'', vroeg ik.

,,Kun je iets doen zonder dat het geld kost?'', vroeg Borgonje.

,,Is er'', vroeg ik weer, ,,dan nooit een generaal die zegt: geef mij dat geld maar, daar kan ik ook wel wat leuks mee?''

,,Jawel, jawel'', zei Borgonje. ,,Wat dat betreft zijn generaals heel gewone mensen.''

Toch kreeg ik al pratende het vermoeden dat de natuur bij Defensie makkelijker bediend wordt dan in het civiele deel van de samenleving. Je hebt daar ook niet die wurgende controverses bij elke voorgenomen bouwactiviteit. En dat is niet zozeer omdat het leger almaar inkrimpt – plaatselijk worden als gevolg daarvan juist omvangrijke bouwprojecten op stapel gezet. Nee, het zal eerder zijn omdat de burger, met zijn schreeuw om ruimte, op Defensie gewoon minder kijk heeft.

,,Laatst'', zei ik, ,,waren er een paar van die ANWB-achtige organisaties die een ruimere openstelling van kostbare defensieterreinen eisten. Wat denk je dan? Dat die terreinen nou juist zo kostbaar zijn omdat ze niet zijn opengesteld?''

,,Integendeel'', antwoordde Borgonje. ,,Dan denk ik: dit moet een misverstand zijn. Kazerne- en schietterreinen zijn en blijven gesloten, dat kan niet anders. Maar wat oefenterreinen betreft hanteren wij hetzelfde openstellingsbeleid als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten.''

Terreinen en gebouwen die onder de DGW&T vallen worden sinds jaar en dag op planten en dieren geïnventariseerd door alle mogelijke particulieren die op voldoende deskundigheid kunnen bogen. Sinds kort heeft de dienst ook zelf vijf mensen voor dit werk in betrekking. En tegenwoordig is er ook een speciale VWG-DEF, een vleermuiswerkgroep defensieterreinen. Zo kwamen we over de kelders onder dat voormalige Duitse casino te spreken.

Een week later kon ik er samen met Ruud Kaal heen. Hij is ook van de DGW&T, hij is al jaren bij het vleermuiswerk betrokken. Dus hij nam me mee en ik was onder de indruk.

Vreemd: een stuk van dat schrale Veluwse bos. Je kijkt er even rond en opeens zie je een betonnen trap in de grond, een kelderdeur met een Lipsslot. Daarachter was het aardedonker. Als het buiten warm is, is het daar koud, als het buiten koud is, is het daar warm, constant een graad of vier. De vloer stond blank en in een doodse stilte hoorde je druppels water vallen, gestaag en onverbiddelijk, als het tikken van een klok.

Ik had echt weleens overwinterende vleermuizen gezien, in een oud fort in de Waterlinie, in de mergelgroeven in Limburg. Daar moest je lopen, daar trof je vleermuizen aan met tussenpozen. Hier kon je blijven staan. Waarheen Kaal zijn lantaarn ook richtte, overal vleermuizen, aan de muur en aan het plafond, eenlingen en hele trossen, nu eens bruin als een verschrompelde boomvrucht, dan weer helemaal grijs van de condens, ragfijn water op de vacht.

,,En ook dit gaat verloren'', zei ik.

,,De boel moet nodig gestut worden'', beaamde Kaal. ,,Ik ben bezig een calculatie te maken. Het gaat om grote overspanningen, dat kan veel geld gaan kosten.''

Veel geld om een bouwval in stand te houden. Het is niet anders. Er zijn dieren die eenvoudig niet zonder bouwval kunnen, en dat moeten wij ze dan geven. Alles wat aan het toeval wordt overgeleverd, is gedoemd te verdwijnen. Dat is ons land, dat is onze tijd.