Dorpelingen

Vlaggendrager gezocht!

Wat moet je met zo'n kop in de krant? Mijn gedachten dwalen nu af naar een gehucht op de Veluwe. In een vlaag van laïcisering zijn twaalf boze mannen er achter gekomen dat het dorp niet langer zonder fanfare kan. Het bier staat koud in de repetitiekelder, de blaasinstrumenten zijn ingekocht, de importmajoretten oefenen al in hun minirokjes, nu de vlaggendrager nog. Niemand wil voorop lopen de angst voor christelijke roddel zit te diep.

Salt Lake City is ook zo'n mormonengat. Een biddende oester die zich alleen laat penetreren door God en Kapitaal. De dubieuze uitersten van religie und kein Ende. Het Amerikaanse sneeuwdorp is dezer dagen even afgehuurd voor het romantisch ideaal van de wereld: snelheid, records, competitiedrift, business, goud en vlagvertoon. Zij het nog steeds in het perspectief van het Hogere: olympische eer.

Zolang het om competitiedrift, records en business gaat, doen Nederlanders van harte mee. Met eergevoel hebben ze weinig. Met de ceremoniële onderbouw van een ideaal nog minder. In Salt Lake City is het dieptepunt bereikt van het klompennationalisme dat zo hevig in Thialf kan woeden. Anders gezegd: het non-nationalisme. Ritsma, Postma, Romme, Timmer een voor een bedankten ze voor de eer om de vlag te dragen bij de openingsplechtigheid van de negentiende Olympische Winterspelen. Voor de een was het risico op een verkoudheid te groot, voor de ander was het dragen van de nationale driekleur een bijkomstigheid.

Chef de mission Leo Visser sprak de taal van een witgekalkte raaf: tristesse én begrip. Twee emotionele categorieën die voor pedofielen gelden. Maar ik heb altijd gedacht dat topsporters van een ander soort gebinte waren: trots, provocatief, podiumgek en flirtend met krachten ten kwade. Nou, ostentatief Nederlander zijn in de zonde had in Salt Lake City iets van een chique belediging kunnen hebben.

Een tweederangsmeisje, Nicolien Sauerbreij, moest de vlag dragen. Ze rijst mooi op uit hoge benen, de jukbeenderen zijn een permanente invitatie voor een samba, de mond is vlezig genoeg voor een roman van Tim Krabbé, maar het blijft een snowboardster en dus niet representatief voor olympisch Oranje. Dan hoor je als chef de mission conclusies te trekken: wegwezen! Tenslotte sta je daar namens Nederland, niet namens TVM, Aegon, SpaarSelect of wat voor obscure sponsors ook. Maar uitgerekend Visser, de vleesgeworden paladijn van het protocol, vond het allemaal prima. Je ziet het vaker: de functie maakt de man.

Wat zei Hans Blankert? Niets. Ik dacht nog: zou de voorzitter van het NOC*NSF wel genoeg stofdoekjes voor de mond van de zo wind- en kougevoelige schaatsers hebben meegebracht? En luiers voor de dames? Het zal toch niet waar zijn dat Gretha Smit, die geïncarneerde boerderij, goud mist door een uur te lang in de ceremoniële kou te staan. First things first: warme thee.

Laatst verenigden de fractievoorzitters van de politieke partijen zich op het engagement om 100 miljoen euro extra te investeren in de sport. Ik mag hopen dat ze dit ferme voornemen nu weglachen naar de oubliëtte. Zoals ik mag hopen dat Anton Geesink niet één medaille zal uitreiken aan een olympisch kampioen van Nederlandse origine. Eigenlijk had Hans Blankert, na de nonchalance in vlag- en hymnegevoel van de Nederlandse equipe, het fatsoen moeten hebben om linea recta terug te vliegen naar Schiphol. De natie die hij in Salt Lake City vertegenwoordigt, bestaat niet. Blankert is in het beste geval een go between tussen corporatistische belangen van gesponsorde dorpelingen. Dan worden de presidentiële pretenties heel erg dun.

Ik herinner me hoe het volk in Haarlem uitliep na de olympische bravoure van Yvonne van Gennip. Iedereen blij, iedereen gelukkig, iedereen dronken. Hup Holland hup. Het zou de vlagverzakers Ritsma, Romme en Timmer sieren als ze, bij winst van een olympische medaille, zich opbergen waar ze thuishoren: in Marbella. Precies, in het dorp van poen en bluf waar eer, prestige, gevoel en vaderlandsliefde herleid zijn tot hersenspinsels van een straatveger.

Ach, wat maakt het ons uit? In de Ronde van Mallorca zagen we alweer de eerste schittering van wielrenners in de zon. In de shirtjes van Domo, Rabo en Mapei juichte de bloesem van nieuw leven. In hun verschijning verschrompelden de watjes van Salt Lake City tot quantité négligeable.