DOMINANTE APEN NEIGEN MINDER TOT VERSLAVING DAN ONDERGESCHIKTE

De dominante leden van een groep makaken hebben meer dopaminereceptoren in de hersenen dan groepsgenoten van een lagere rang. Bovendien neigen ze minder tot cocaïneverslaving. Dat hebben onderzoekers in de Verenigde Staten ontdekt. De proefdieren waren aanvankelijk allemaal afzonderlijk gehuisvest en hadden toen nagenoeg evenveel dopaminereceptoren. Plaatsing in een groep veranderde dit, schrijven de onderzoekers deze maand in Nature Neuroscience.

Het onderzoek was opgezet om een antwoord te vinden op de vraag hoe het komt dat lang niet alle cocaïnegebruikers aan deze drug verslaafd raken. In een prettige omgeving zou men voor een goed gevoel minder van de drug afhankelijk zijn, waardoor de kans op verslaving afneemt. Ook van belang zijn de hersencellen die gevoelig zijn voor de neurotransmitter dopamine. Die cellen bevatten vooral een bepaald type dopaminereceptoren, de D2-receptoren.

In een poging om al die elementen – omgeving, aantal D2-receptoren en verslavingsgedrag – in één onderzoeksmodel te verenigen hielden de onderzoekers een groep apen anderhalf jaar in aparte kooien. Met behulp van PET-scans werd een aantal keren de activiteit van de dopaminegevoelige cellen in de hersenen gemeten. Vervolgens werden de dieren in groepjes van vier bij elkaar gezet. Apen zijn hiërarchisch ingesteld. Binnen een groep ontstaat in betrekkelijk korte tijd een duidelijke rangorde. De aap met het meest agressieve gedrag is de baas. Uit de PET-scans die na drie maanden in de groep werden gemaakt bleek dat alle dieren meer D2-receptoren hadden gekregen. De mate van toename hing echter samen met de status in de groep. Hoe hoger de rang van het dier, hoe meer receptoren het erbij had gekregen. Omdat de dieren toen ze nog alleen leefden nagenoeg gelijke aantallen receptoren hadden, moet de toename het gevolg zijn van het verkrijgen van een bepaalde positie in de groep.

Vervolgens werden de dieren dagelijks in de gelegenheid gesteld zichzelf via een katheter verschillende doseringen cocaïne of een fysiologische zoutoplossing toe te dienen. De ranglaagste dieren kozen daarbij significant vaker voor de cocaïnespuit en dienden zichzelf ook hogere doses toe. Niet dat de dominante dieren de drug helemaal links lieten liggen; zij gingen geleidelijk meer cocaïne gebruiken maar bleven significant minder gebruiken dan de laaggeplaatste groepsgenoten. Of en in hoeverre deze conclusies voor menselijke cocaïnegebruikers opgaan, zal nog moeten blijken.