DINO'S WERDEN ZO GROOT DANKZIJ DE CO2-RIJKE ATMOSFEER

Sinds de ondergang van de dinosaurussen hebben er nooit meer zo grote gewervelde dieren op aarde rondgelopen. Hoe zij konden uitgroeien tot ontzagwekkende afmetingen is nog altijd niet bevredigend beantwoord. Volgens drie biologen van de universiteit van Californië in Los Angeles en het South Australian Museum in Adelaide komt dat doordat ze in een tijd leefden met een veel hogere CO2-concentratie dan tegenwoordig. Daardoor was het veel warmer en was er vooral een veel rijkere plantengroei, voldoende om zulke grote dieren van voedsel te kunnen voorzien (Proceedings of the National Academy of Sciences, 4 dec.).

Opvallend genoeg komen de onderzoekers tot die conclusie op basis van onderzoek over een veel recentere periode. Aan de hand van fossielen onderzochten zij voor dertig verschillende eilanden en continenten wat het grootste landdier is geweest dat daar in de afgelopen 65.000 jaar heeft geleefd. Zo kregen ze een idee wat de voornaamste factoren zijn die de maximale grootte van een diersoort in zijn omgeving bepalen. Koudbloedige dieren blijken bijvoorbeeld altijd gemiddeld groter te zijn dan warmbloedigen. Verder geldt zowel voor warmbloedigen als voor koudbloedigen dat de grootste planteneter gemiddeld tien keer groter is dan de grootste vleeseter. Dat valt goed te rijmen met een bekende ecologische wet dat met elke stap omhoog in de voedselketen de beschikbare hoeveelheid energie afneemt met zo'n 90 procent. Voor een vleeseter is er dus binnen een gegeven stuk land maar een tiende van de hoeveelheid aan voedsel beschikbaar die nodig is voor een planteneter.

Elk individu van een soort heeft ook een minimale hoeveelheid ruimte nodig om voedsel en een partner te vinden, en grotere dieren meer dan kleinere. Hoe groter dat leefgebied, des te lager de bevolkingsdichtheid en des te kleiner de bevolkingsgrootte voor een gegeven oppervlak. Om echter als soort te kunnen overleven is een minimale bevolkingsgrootte nodig, van een paar duizend individuen. Ook de grootte van het leefgebied oefent zo invloed uit op de maximale grootte van de soorten die er leven.

Toen de onderzoekers de grootste dinosaurussen uit het Krijt aan de door hen gevonden wetmatigheden toetsten, bleken die daar helemaal buiten te vallen: zij waren bijvoorbeeld een factor tien groter dan je op grond van de grootte van hun leefgebied zou mogen verwachten: tachtig miljoen jaar voordat deze reuzen de aarde bevolkten was het supercontinent Pangea bijvoorbeeld al begonnen in stukken op te breken. Maar er is wellicht een andere verklaring. Tijdens het Krijt lag de CO2-concentratie in de atmosfeer tien keer hoger dan nu. Daardoor waren er per vierkante kilometer veel meer planten om de reuzengroei der dino's mogelijk te maken. Een commentaar in Nature (31 jan.) merkt nog op dat deze hypothese kan worden getoetst door te kijken naar nu levende diersoorten op twee in grootte vergelijkbare eilanden, eentje in de tropen, de ander in een meer gematigd klimaat. Omdat in de tropen de biomassa (de beschikbare hoeveelheid plantaardig voedsel) groter is, zouden tropische diersoorten daar gemiddeld groter moeten zijn.