De drie tenoren van het Binnenhof

Ik reken erop dat CDA-leider Jan Peter Balkenende geen vertrouwen wil schenken aan Fortuyn. Om puur inhoudelijke redenen zal Balkenende ook al geen brug willen slaan naar GroenLinks, vanwege de anti-NAVO, anti-Amerika, en anti-Israël standpunten van die partij. Tel de SP erbij op, en het resultaat is een regering uit de gevestigde partijen en meer dan veertig Kamerleden in de oppositie. Als ook D66 nog in oppositie gaat, vanwege verlies bij de verkiezing of omdat PvdA en VVD toch nooit naar D66 luisteren, dan krijgt Nederland bij de huidige stand van de peilingen een Grosse Koalition van PvdA, CDA en VVD.

Dat wordt dan straks een luidruchtige oppositie in de Tweede Kamer. Aan de rechterkant legt Pim Fortuyn met twintig soldaten de nieuwe regering onder vuur; aan de linkerkant weerklinkt een even groot, gemengd koor van GroenLinks en de Socialistische Partij. Ministers horen in hun rechteroor van Fortuyn dat er in de gezondheidszorg geen euro bij mag voordat de bureaucraten zijn gedecimeerd, maar in hun linkeroor van Agnes Kant (SP) dat intussen patiënten sterven omdat operatiekamers zijn gesloten. Eén voorspelling is gemakkelijk: de Kamervoorzitter zal meer spreektijd moeten gunnen aan de oppositie. De drie tenoren van het Binnenhof Fortuyn, Marijnissen en Rosenmöller zijn samen welluidend genoeg om een eind te maken aan de onzin dat sprekers voor een oppositiepartij zaken in precies tien of twaalf minuten moeten behandelen.

Sinds 11 september zijn GroenLinks en SP in een kleine minderheid met hun standpunten over Amerika en Israël. Blijft dat zo, dan gaan de agendabepalende conflicten straks vooral over binnenlands beleid. Gaat dat debat over méér of minder euro's voor onderwijs en medische zorg, dan kan de komende regering in het midden gaan zitten. Fortuyn wordt dan een demagoog van rechts, en Rosenmöller en Marijnissen potverteerders van links die geen verstand hebben van de staatsschuld in het jaar 2040. Maar achter de controverse over het geld schuilt een dieper dilemma, dat nu al Paars II splijt, en waar de verkiezing eigenlijk over zou moeten gaan. Aan de ene kant staat minister Hermans (VVD) van Onderwijs. Hoe meer ouders vrijwillig betalen voor de school, hoe hoger de kwaliteit zonder dat de belasting omhoog hoeft.

Tegenover deze individualistische visie staat een argument van sociale rechtvaardigheid. Het leven is hard, en niet iedereen is rijk. Talent, milieu, opvoeding, geluk en ijver maken uit waar mensen financieel in de pikorde komen te staan. Prof. Jan Pen schreef lang geleden een bestseller over onze tocht door het leven, waarbij sommigen als financiële reuzen vooroplopen en anderen klein moeten blijven. Is het dan niet mooi en rechtvaardig dat voor iedere nieuwe generatie de kaarten een beetje opnieuw worden geschud? Kleine kinderen hebben dan ten minste een gelijke kans op goed onderwijs. Geen Engelse toestanden in het lager onderwijs met prachtige scholen voor de happy few en armoede voor de rest. Laten Marijnissen en Rosenmöller maar waarschuwen dat de huichelachtige ministers van Labour hun kinderen naar privé-scholen sturen, omdat premier Blair heeft uitgerekend dat Labour de verkiezingen makkelijker kan winnen met lage belastingen en slechte scholen dan andersom. Twee keer kreeg hij gelijk en dat is Kok en Melkert zeker niet ontgaan. En dat terwijl de Engelse financiering nog veiliger is dan bij ons: daar moeten ouders via de belasting betalen voor het officiële onderwijs en nog eens dubbel voor de privé-school. Hier vindt minister Hermans het goed dat fortuinlijke ouders in Bussum of Wassenaar voor hun kinderen bijstorten in de kas van een school die ook al geld uit de belasting krijgt.

Hetzelfde principe geldt in de gezondheidszorg. Daar stelt prof. Lense Koopmans met recht: `De overheid verbiedt in feite dat burgers hun private koopkracht aanwenden voor gezondheidszorg. Het egalitaire denken in ons land staat dat in de weg'. Dan zijn er twee uitwegen. Of die overheid maakt ruim baan voor een heel wat royaler gezondheidszorg voor iedereen (wat Koopmans en ik zouden bepleiten, ook als het betekent dat de totale uitgaven stijgen met vijf tot tien miljard euro per jaar), of steeds meer personeel gaat op zoek naar plezieriger werkomstandigheden in de private medische sector.

Opnieuw gaat het om een moreel dilemma. Betekent burgerschap alleen dat we belasting mogen betalen en eens in de vier jaar een stem uitbrengen, of hoort daarbij ook dat arm en rijk een gelijk recht hebben op snelle hulp bij ziekte? De filosoof David Miller stelt in zijn Social Justice dat onderwijs voor kleine kinderen en medische zorg voor iedereen tegenwoordig horen bij het stilzwijgend contract tussen de maatschappij en haar burgers. Dat een rijkaard in een groot huis woont en elke dag duur kan eten wordt niet gezien als sociaal onrechtvaardig, want de gemeenschap beperkt zich wat betreft wonen en eten tot de garantie van een laag minimum met de bijstand of AOW.

Maar edelman of bedelman, alle kinderen moeten in een rechtvaardige samenleving gelijk kunnen starten op de basisschool, en voorin de wachtkamer van de dokter hoort niet de consument met het meeste geld, maar de patiënt met de meeste pijn. Marijnissen is het daar zeker mee eens, maar alle andere partijen, van GroenLinks tot en met Leefbaar Nederland, hebben programma's die niet beginnen vanuit noties van sociale rechtvaardigheid, maar vanuit normen voor het aflossen van de staatsschuld.

Waar die partijen in het principiële dilemma over onderwijs en zorg dan staan is zeer onduidelijk. Dát is het echte binnenlandse debat van 2002 en de jaren daarna. Met twee zware opposities, van links en van rechts, aangevoerd door drie zwaargewichten Fortuyn, Marijnissen en Rosenmöller, wordt het ongemakkelijk achter de regeringstafel.