Zo erg was het in de Koersk

De regen zwiept over het dek van de Rijnaak Cura, gemeerd aan de Van Diemenkade in Amsterdam. Toneelspelers en toeschouwers zijn opgesloten in het ruim. Rondom de vijf acteurs zijn staalconstructies en ijzeren hekwerken aangebracht. De acteurs spelen vijf van de 118 opvarenden die zich op 12 augustus 2000 in de Russische atoomonderzeeër de Koersk bevonden. Op die dag ontplofte een torpedo, waarna de onderzeeër naar de bodem van de ijskoude Barentszzee zonk. De 23 bemanningsleden die de explosie overleefden, zouden na vele angstige uren doodgaan aan verstikking of verdrinking.

Zelfs het ruim van de Cura geeft een beklemmende ervaring. De gruweldood van de vijf manschappen in het negende compartiment komt verrassend dichtbij in de voorstelling De Koerskmonologen. Zij zijn hermetisch afgesloten van de andere opvarenden. Drie schrijvers, een regisseur en vijf acteurs roepen met deze onthutsende voorstelling een beeld op van die onvoorstelbare situatie van het nabije sterven. Ook de klopsignalen weerklinken: hout op ijzer. Zo moet het in werkelijkheid geweest zijn, is mijn eerste gedachte.

Aanvankelijk houden de spelers zich verborgen in de schaduw, maar naarmate de dood nadert spelen ze dichter bij het publiek in steeds heller licht. Elk van de vijf, in rang variërend van kok tot commandant, belicht een ander aspect van het drama. De een wordt gek en gaat raaskallen, de ander werpt zich op een pot augurken (,,Die kunnen ons redden!''), een derde raakt seksueel geobsedeerd. De voorstelling begint poëtisch met de monoloog van de jongste matroos die vertelt over zijn jeugd op het platteland. De school, de geuren van het land. In kalme ritmiek wisselen de monologen af met confrontaties waarin alle woede en teleurstelling, levensangst en hoop steeds heftiger en feller tot uitdrukking komen. Regisseur en schrijvers hebben zich goed voorbereid en zelfs gebruik gemaakt van de black box, die door twee Nederlandse bergingsfirma's naar boven is gehaald. De speelstijl is strak en naturel, aanvankelijk op sombere wijze monotoon.

Het gebeurt zelden in het theater dat in korte tijd een voorstelling wordt gemaakt over een ramp. Inlevingsvermogen van de betrokkenen is een vereiste. Indrukwekkend is het relaas van de commandant die met verstikte stem uiteenzet dat deze calamiteit gezien moet worden als oefening. De tekst jongleert prachtig en steeds absurder met begrippen als `oefening' en `nood'. Redding is onderweg, laat de commandant weten, zoals het de Russen betaamt.

De laatste levende ligt op het ijzeren hekwerk, hij schrijft zijn woorden voor degenen die na hem nog zullen bestaan: ,,Het is zoals het is. Ik ben niet bang. Het is zacht hier. Groet iedereen. Wanhoop niet.'' Dit briefje is daadwerkelijk gevonden. De sober gespeelde slotmonoloog laat zien hoe zoiets onvatbaars als iemands laatste minuten door treffende tekst en geconcentreerd spel een grote tragedie kan worden.

Voorstelling: De Koerskmonologen. Tekst: Gustav Ernst, Hans Lebouille en Caroline Ligthart. Regie: Jaap Sijkers. Gezien 6/2 Rijnaak Cura, Theater Het Veem, Van Diemenstraat 410, Amsterdam. Te zien t/m 2/3 aldaar. Inl.: 020-6269291 of www.koerskmonologen.nl.