Roest in de heldenfabriek

Stephen Ambrose schreef biografieën van Eisenhower en Nixon, maar werd pas een ster met boeken over gewone Amerikaanse soldaten in de Tweede Wereldoorlog. De tijdgeest vocht mee. Eén probleem: zijn lofzang op heroïek blijkt gerecyceld van de echte, onbekende helden.

Amerikaanse veteranen van de Tweede Wereldoorlog zijn aan een tweede historische opmars begonnen. Eerst veroverden ze daarbij hun eigen land, vervolgens staken ze opnieuw de grote zee over, naar de Oude Wereld.

Dankzij de niet aflatende inspanningen van een bestsellende schrijver, een acteur en een regisseur, konden ze in de zomer van het jaar 2000 meelopen in de grootste militaire parade ooit gehouden op Amerikaans grondgebied. Op uitnodiging van de historicus Stephen Ambrose waren ze eregasten bij de opening van het National D-Day Museum in New Orleans. De marcherende veteranen werden om hun handtekeningen gesmeekt door ster-acteur Tom Hanks en regisseur Steven Spielberg. Voor één dag waren de sterren fans geworden, schrijft Ambrose, ontroerd en voldaan, in het voorwoord van de onlangs opnieuw uitgebrachte pocket-editie van zijn oorlogsboek Band of Brothers.

Daarna verplaatste het circus zich naar de kust van Normandië. De veteranen waren nu, in juni 2001, de gast van het televisiestation HBO, om de 57-ste verjaardag van D-Day luister bij te zetten. Feitelijke aanleiding was de première van de televisieserie Band of Brothers, geregisseerd door Hanks en Spielberg naar het gelijknamige boek van Ambrose, die nu ook, begeleid door veel publiciteit, wordt uitgezonden op de Nederlandse televisie.

Het was de triomf van een historicus. Stephen Ambrose (66) heeft van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, gezien vanuit het oogpunt van gewone soldaten, zijn levenswerk gemaakt. Band of Brothers (1992) was zijn eerste kassucces. Sindsdien heeft hij bijna elk jaar toegeslagen met een `groot boek' over de oorlog: D-Day over de invasie, Citizen Soldiers over de lotgevallen van GI's in Europa, Americans at War, The Victors en recentelijk The Wild Blue, over Amerikaanse oorlogspiloten. Hij raakte een snaar. Steven Spielberg huurde hem in als adviseur voor de film `Saving Private Ryan' en ondersteunde zijn initiatief tot de oprichting van het National D-Day Museum in New Orleans.

Voor Ambrose had dat ook weer voordelen. Het museum heeft banden met de universiteit van New Orleans, dat onderdak biedt aan een van de grootste collecties persoonlijke documenten, memoires en brieven van Amerikaanse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog. Ambrose maakt daar dankbaar gebruik van. De manuscripten en dagboekaantekeningen van de veteranen vormen het ruwe materiaal voor zijn bestsellers, die hem tot een van de bekendste populaire historici van Amerika hebben gemaakt. Ze leveren hem volgens The Wall Street Journal een jaarsalaris op van gemiddeld drie miljoen dollar, exclusief het miljoen voorschot dat hij van zijn uitgever krijgt voor elk nieuw boek. Hij heeft het onderzoek voor zijn werk uitbesteed aan zijn zoon Hugh, die weer gebruik maakt van het veldwerk van vier andere Ambrose-kinderen, die kopij en bronnen aanleveren voor vader en allemaal zijn opgenomen in een BV. `Ambrose and Ambrose' is een familiebedrijf waarbij de historicus zijn materiaal kant en klaar krijgt aangereikt.

Na jaren van ongekend succes is er vorige maand onverwachts een kink in de kabel gekomen. De oorlogsindustrie van Ambrose hapert. Het conservatieve weekblad The Weekly Standard beschuldigde hem van plagiaat. In zijn pilotenboek The Wild Blue bleek hij drie passages vrijwel letterlijk te hebben overgeschreven uit een ouder en veel minder bekend boek, The Wings of Morning (1995) van de historicus Thomas Childers. Childers wordt weliswaar in een voetnoot genoemd, maar Ambrose heeft nagelaten diens zinnen tussen aanhalingstekens te zetten waardoor het lijkt of hij ze zelf heeft geschreven.

Sindsdien is gebleken dat Ambrose in nog zeker zes andere gevallen leentjebuur heeft gespeeld in boeken van collega's zonder hen daarvoor de juiste eer te gunnen. En het was niet voor het eerst. Ambrose blijkt al dertig jaar geleden, lang voor hij beroemd werd, op een slordigheid te zijn betrapt door Cornelius Ryan, auteur van The Longest Day, het voorgaande grote D-Day-boek. Voor zijn boek The Supreme Commander (1970) over generaal Eisenhower nam Ambrose twee passages uit een boek van Ryan over, alweer zonder ze tussen aanhalingstekens te zetten. Ambrose bood zowel toen, in 1970, als nu nederig zijn excuses aan, maar heeft zijn methode verdedigd, op een welbekende manier: het is zo lastig om overal voetnoten te plaatsen. ,,Ik vertel verhalen', aldus de schrijver, ,,ik voer geen discussies over documenten. Ik houd mij bezig met het verhaal. Ik schrijf geen doctoraalscriptie.'

Het literaire vergrijp van Ambrose lijkt dus, als we hem geloven, eerder het resultaat van slordigheid en haast – elk jaar een bestseller! – dan van opzet. De ophef is er niet minder om. Het overweldigende aantal ingezonden brieven over de zaak in kranten als The New York Times van historici, auteurs en studenten doet vermoeden dat er meer aan de hand is. De teneur ervan is dat Ambrose een academische erecode heeft geschonden.

Maar niet alleen een academische erecode. Inzet van de boeken van Ambrose is immers niets minder dan een rehabilitatie van het Amerikaanse zelfbeeld, zo geschonden door Vietnam, als een natie van kleine, gewone mannen die bang maar onverschrokken de zege bevechten op een metafysisch kwaad, of het nu dat van de nazi`s is, de communisten, of het internationale terrorisme. Een dwingende behoefte aan rehabilitatie waarin de schrijvende Oostkust en de filmende Westkust elkaar eindelijk lijken te hebben gevonden. Wie daarbij zondigt, pleegt niet zomaar een technisch, ambachtelijk vergrijp, hij zet de integriteit van de hele onderneming op losse schroeven.

Tegen de achtergrond van de affaire-Ambrose speelt bovendien dat vorig jaar twee andere historici die het nationale zelfbewustzijn wilden opkalefateren, ook al het middelpunt waren van een kwestie. Joseph Ellis, specialist in achttiende-eeuwse Amerikaanse politieke geschiedenis, bleek tijdens zijn colleges aan studenten te hebben gelogen over zijn optreden in de oorlog in Vietnam. Hij werd gedwongen zijn betrekking op te geven. En David McCullough, auteur van de populaire biografie John Adams, over een van de grondleggers van de Republiek, bleek daarin een citaat van Thomas Jefferson te hebben verzonnen. De renaissance van de Amerikaanse aartsvaderen en van patriottische trots waaraan de burger zich spiegelt, bleek een handje te worden geholpen door leugens en verzinsels.

Tot begin jaren negentig gold Ambrose nog als een degelijke, conventionele historicus. Hij schreef doorwrochte biografieën van Dwight Eisenhower en een driedelige, empathische reeks over Richard Nixon, die hem wel kritische waardering opleverden maar beslist geen roem bij de massa. Zijn bekendste werk, ook in Nederland, is het studieboek Rise to Globalism, over de Amerikaanse buitenlandse politiek sinds de Tweede Wereldoorlog.

Met Band of Brothers sloeg hij een nieuwe weg in. Hij had al, tussen zijn biografieën over presidenten door, een boek over de Tweede Wereldoorlog geschreven, maar met Band of Brothers vond hij een gat in de markt: de lotgevallen van gewone, herkenbare jongens die hun leven op het spel zetten voor democratie, vrijheid en een all American leven. Sindsdien geldt hij als de belangrijkste vertegenwoordiger van de blockbuster historians: historici die ongekende verkoopcijfers halen en wier boeken niet alleen in boekwinkels maar ook in supermarkten en op vliegvelden worden verkocht. Ambrose wist daarmee de historicus het domein van de opbeurende contemporaine geschiedenis in te trekken, en daarmee van de bestseller. Zoals er blockbuster historici zijn van de menselijke weerstand tegen natuurrampen, van heroïsche ontdekkingstochten door de wildernis, en van manhaftige projecten als het aanleggen van de transcontinentale spoorlijn, zo is Ambrose de kampioen van de kleine Tweede Wereldoorlog.

Nieuw is het genre natuurlijk niet. Al in de jaren tachtig schreef Barbara Tuchman bestsellers over de Eerste Wereldoorlog, de pest in de Middeleeuwen en de Amerikaanse Revolutie. Haar werd toen, vooral door professionele historici, verweten dat haar boeken niet origineel waren, en te zeer een beschrijvend karakter hadden. Datzelfde verwijt treft nu Ambrose, met dien verstande dat niet alleen vraagtekens worden gezet bij de inhoud van zijn boeken, maar ook bij zijn werkwijze.

Wat is het geheim van zijn fenomenale succes, en dat van zijn collega en nieuwslezer Tom Brokaw, auteur van The Greatest Generation, over de generatie van de Tweede Wereldoorlog? Het lijkt erop dat, hoe minder mensen van die `grootste generatie' in leven zijn, des te gretiger wordt uitgekeken naar hun herinneringen, die worden uitvergroot in boeken en films. De boeken van Brokaw en Ambrose, waarin de mannen en vrouwen van deze `goede oorlog' in het zonnetje worden gezet, hebben in Amerika dezelfde status verworven als Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong in Nederland.

Maar er is natuurlijk een verschil: dat tussen wetenschap en geloof. Terwijl De Jong een wetenschappelijk onderbouwd standaardwerk wilde schrijven over de Duitse bezetting, gaat het Brokaw en Ambrose om iets anders. Om eerherstel voor de `stille' of `vergeten' generatie, die miskend is terwijl ze volgens hen het predikaat `de beste in de wereldgeschiedenis' verdient. Ambrose maakt in boek na boek duidelijk dat Amerika zijn vrijheid en welvaart aan deze oorlogsveteranen te danken heeft. Dat die boeken gretig aftrek vinden bij de veteranen, hun kinderen en kleinkinderen ligt daarom voor de hand; met Ambrose en Brokaw is de opkomst van een nostalgie-industrie begonnen die het afgelopen decennium ook van boeken over oude sportclubs, karaktervolle stadions en legendarische teams onweerstaanbare verkoopsuccessen heeft gemaakt.

Het is ook niet toevallig dat Ambrose, Brokaw en Spielberg behoren tot de babyboom-generatie. Hun oorlog was die in Vietnam; hun levenshouding één van verzet tegen het establishment en uiteraard tegen het leger. Ambrose maakt in de bundel Comrades (1999) gewag van zijn eigen protest tegen de Vietnamoorlog, en het conflict in huiselijke kring dat daaruit voortsproot. De oorlog veroorzaakte een schisma in zijn gezin, zoals in duizenden andere Amerikaanse families. Stephen Ambrose heeft zich pas in de jaren tachtig weer verzoend met zijn broers, die voorstanders waren van het Amerikaanse optreden. De verzoening vond plaats juist in de tijd dat hij die ándere oorlog ontdekte, dat ándere en onschuldige Amerika dat zich had gestort in een `goede oorlog'. Babyboomers hebben zich in de jaren negentig, uit schuldgevoel en behoefte aan verzoening met hun vaderland en vaders, massaal geworpen op de Tweede Wereldoorlog.

Maar welke oorlog is dat? The Wild Blue, het meest recente boek van Ambrose, gaat over de bemanning van Amerikaanse B-24 bommenwerpers, gestationeerd op een basis in Zuid-Italië. Zoals in al zijn oorlogsboeken speelt het idee van kameraadschap een overheersende rol. In tegenstelling tot eerdere werken kent dit boek een hoofdpersoon: de (historische) luitenant-piloot George McGovern, de latere presidents-kandidaat (in 1972) en tegenstander van de oorlog in Vietnam. De rol die hij speelde in de Tweede Wereldoorlog is volgens Ambrose tot nu toe onderbelicht gebleven. McGovern was een held, die in tientallen missies boven Duitsland, Oostenrijk en Roemenië zijn leven in de waagschaal stelde, bommen afwierp en zich uiteraard vooral bekommerde om zijn bemanning. Slecht nieuws over de hoofdpersoon wordt door Ambrose kenmerkend mondjesmaat verstrekt: tussen de regels door blijkt dat McGovern te licht was voor een plaats in de cockpit van een jachtvliegtuig. Ook was hij wellicht minder onverschrokken dan zijn collega's, maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt door de zorg en aandacht die hij voor zijn bemanning overhad en de liefde die hij voelde voor zijn echtgenote.

Verder lijkt The Wild Blue vooral veel op zijn voorgangers. In de krappe bommenwerper ontstaat tussen de bemanningsleden een band, die volgens Ambrose `hechter is dan de relatie tussen vrienden, hechter dan de relatie tussen broers. De relatie tussen kameraden is anders dan die tussen minnaars. Hun vertrouwen in, en kennis van elkaar, is totaal.' Dát is de warme oorlog van Stephen Ambrose; een unieke kans voor male bonding.

En de vijand? Die moet worden verslagen, maar dient uiteindelijk vooral om deze unieke mannenvriendschappen te smeden. In Band of Brothers citeert Ambrose met instemming een soldaat van de legendarische `Easy' Compagnie: `Er is geen dag voorbijgegaan dat ik Adolf Hitler niet heb bedankt voor het feit dat hij mij in contact heeft gebracht met de meest getalenteerde en inspirerende groep mensen die ik ooit heb ontmoet.' Iedereen is soldaat van de democratie, behept met een warm gevoel van saamhorigheid. `Ze waren goed en slecht, dom en intelligent, immoreel en moreel', zegt een piloot over zijn bemanning in The Wild Blue, `maar de enige les die iedereen leerde was dat je je bekommerde om je maatje, en dat je maatjes zich om jou bekommerde.'

Kenmerkend voor de oorlogsboeken van Ambrose is dan ook dat alles wat van die kameraadschap afleidt slechts zijdelings ter sprake komt. Vrouwen zijn bijfiguren, opofferingsgezinde moeders of, als prostituees, een noodzakelijk kwaad. Racisme is een netelig probleem dat enkele bladzijden vergt maar door Ambrose keurig wordt opgelost. `Echt patriottisme', zegt een een Afrikaans-Amerikaanse piloot in The Wild Blue, `kent maar één ras. Je bent Amerikaan of je bent het niet'. Zwarte piloten worden weliswaar niet voor vol aangezien, ze krijgen toch maar de trotse opdracht het luchtruim en terugkerende bommenwerpers te verdedigen. Ze mogen niet mee met aanvalsmissies, maar van raciale spanningen is volgens de schrijver nauwelijks sprake. Er valt weleens een onvertogen woord, maar dat komt nu eenmaal voort uit `de hitte van de strijd'. Zo reageren blanke kameraden, als ze net hun bommen boven Duitsland hebben gedropt en achterna worden gezeten door Duitse jachtvliegtuigen.

Ambrose's ware helden zijn de nog levende oorlogsveteranen, voor wie hij mateloze bewondering zegt te koesteren. Hun herinneringen liggen nu opgeslagen op de universiteit van New Orleans; vier zonen van Ambrose reizen stad en land af op zoek naar nieuwe egodocumenten, die vervolgens door de vijfde zoon worden beoordeeld en voorgelegd aan vader. Ambrose beschouwt zijn boeken zodoende als `een groepsproces', waaraan ook de veteranen deelnemen, al gaan de inkomsten naar uistluitend naar zijn eigen BV.

Zo lang de veteranen zich voor zijn karretje laten spannen, is er niets aan de hand. Maar in de schaduw van de affaire waarin hij nu is verstrikt geraakt dook onlangs een onaangenaam verhaal op. De krant The Oregonian bracht het relaas van voormalig luitenant en advocaat Robert Weiss, die een manuscript met zijn oorlogsavonturen in Europa naar Ambrose had gestuurd met de vraag of hij er een uitgever voor wist. Vijf maanden later schreef Ambrose een brief terug met de flatteus bedoelde mededeling dat hij acht pagina's uit het manuscript `schaamteloos' had `gestolen' voor zijn nieuwe boek Citizen Soldiers. `Wat een geweldige ervaring! Wat een schitterend verhaal!', schreef Ambrose in een brief over de kopij van Weiss, die in Europa aan het front de dood in de ogen had gezien. Hij was er overigens niet in geslaagd een uitgever te vinden voor Weiss, liet hij weten, en toen Weiss die eenmaal zelf had gevonden, was Ambrose wegens drukke werkzaamheden ook helaas niet in staat een voorwoord bij diens boek te schrijven. Weiss was perplex toen hij het boek van Ambrose onder ogen kreeg: niet alleen was zijn manuscript geplunderd, het was ook, kennelijk uit effectbejag, aangedikt. Toen Weiss Ambrose later een exemplaar stuurde van zijn eigen, inmiddels gepubliceerde boek, met op de achterkaft Ambrose's aanbeveling: `wat een schitterend verhaal!', kreeg hij een woeste brief terug van zijn `grootste fan'. Ambrose was woedend omdat Weiss zonder zijn toestemming had geciteerd uit privé-correspondentie. `U bent schaamteloos', schreef de historicus de veteraan, en hij sloot zijn brief af met de wens: `Loop naar de hel.' Waarop Weiss de zaak in de openbaarheid bracht.

De briefwisseling tussen Weiss en Ambrose geeft een prozaïsch, ontnuchterend inkijkje in de werkwijze van de Hollywood-historicus, en hoe die botst met het verlangen naar erkenning van een commercieel minder begaafde oud-strijder. Het roept ongemakkelijke vragen op. Hoeveel veteranen heeft Ambrose gepaaid met complimenten over hun heroïsche gedrag, om ze te kunnen verwerken tot grondstof voor zijn boeken? En hoe vrijwillig ging dat?

In The Wild Blue schrijft Ambrose ook over de voorgeschiedenis van het boek dat hij wilde schrijven over oud-presidentskandidaat McGovern omdat diens avonturen als piloot in de Tweede Wereldoorlog onderbelicht zouden zijn gebleven. Tot zijn spijt bleek er al een journalist mee bezig te zijn. Ambrose ging desondanks op bezoek bij McGovern. Na afloop van `twee weken' interview was die ervan overtuigd dat Ambrose de man was om het karwei te klaren. De journalist die er al mee bezig was bleek `bereid' zijn materiaal af te staan. Misschien omdat Ambrose McGovern na afloop van het laatste gesprek heeft bedankt `voor zijn hulp in het behalen van de overwinning, en dus het redden van de wereld'.

Volgens Ambrose sluit hij elk interview met een oorlogsveteraan af met zo'n dankbetuiging. Bedankt voor het redden van de wereld. `Wat een geweldige ervaring! Wat een schitterend verhaal!'

Stephen E. Ambrose: The Wild Blue. The Men and Boys who Flew the B-24s Over Germany. Simon and Schuster, 299 blz. E34,80

Stephen E. Ambrose: Band of Brothers. Pocket Books Paperback, 331 blz. E14,11