Rapaille

H.J.A. Hofland meldt in zijn stuk `Jagen in het Vondelpark' (CS 1/2) dat Bertus Zuurbier, de tweede kandidaat van de Rapaille-Partij, eenmaal in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen, zijn inbreng aldaar beperkte tot het verzoek het raam te openen c.q. te sluiten. Hoe aardig deze informatie ook klinkt, zij berust op mythevorming. Raadsverslagen uit die tijd leren dat Zuurbier herhaalde malen het woord heeft gevoerd, waarbij hij zijn anarchistische overtuiging niet verloochende. Zo stelde hij ooit aan wethouder Wibaut voor de gevangenissen open te zetten, zodat de gevangenen konden meewerken in de woningbouw. Ook heeft hij zich met het oog op de vergoeding nog eens kandidaat gesteld als wethouder. Zijn inbreng in de raadsdebatten werd door de pers echter stelselmatig doodgezwegen.

Aan Hitler had Erich Wichman, die in 1929 overleed, waarschijnlijk geen boodschap gehad, schrijft Hofland. Ten aanzien van Wichmans houding tegenover het nazidom is een getuigenverklaring uit onverdachte bron overgeleverd. Een oude vriend van Erich, de (joodse) kunsthandelaar Jack Vecht, herinnerde zich in 1959 dat hij en zijn vrouw Wichman in de jaren twintig op straat in München waren tegengekomen, ,,waar hij hevig uitviel tegen alles wat nazi was op zo'n felle wijze, dat ik en mijn vrouw dachten: laten we proberen zo gauw mogelijk van hem af te komen anders pikken ze ons aanstonds nog met zijn drieën op en komen we Duitsland niet meer uit'' (verklaring in Wichman-archief, Centraal Museum Utrecht).

Van het door Hofland geciteerde `Jajemlied' uit de verkiezingskrant de Raad is een interessante latere versie van Wichmans hand aan te treffen op p. 182/183 van de door mij bezorgde brieveneditie Geest, koolzuur en zijk. Briefwisseling van Erich Wichman (Westervoort 1999).