Paradijs van smeltend ijzer

In een serie over vertaalde klassieken deze week

Voor de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997) waren intellectuelen niet de maat der dingen, omdat zij hun kennis voornamelijk uit boeken haalden en van het echte leven geen sjoege hadden. Hrabal voelde zich meer thuis bij het gewone volk, waaruit hij menig hoofdpersoon voor zijn romans en verhalen rekruteerde. De helden van zijn boeken zijn dan ook geen aan het leven twijfelende academici, maar fabrieksarbeiders, kelners, papierpletters of kaartjescontroleurs. Onopvallende, bijna simpele lieden, die echter van geen ophouden weten als het gaat om het vertellen van hun levensverhaal. Stuk voor stuk zijn het opscheppers, met een scherp oog voor het groteske van het menselijk bestaan. Tegelijkertijd hebben ze vaak enorme ambities en willen ze de béste kelner of de béste papierpletter ter wereld zijn. Ze zijn dromers die naar iets groters en beters verlangen. Toch nemen ze bijna altijd de verkeerde beslissingen, alsof ze het er, uit een of andere fatalistische neiging, om doen. En als het hun toch lukt hun dromen te realiseren, maakt de boze buitenwereld in de vorm van oorlog en dictatuur er meteen een einde aan.

Het zijn precies die elementen die het werk van Hrabal zo bijzonder maken. Want juist door dat vallen en opstaan ontpoppen zijn helden zich tot kleine filosofen en maatschappijcritici, die als geen ander doorhebben waar het in het leven om draait. Het mooie aan Hrabals wijze van vertellen is bovendien dat hij zijn verhalen altijd als een symfonie opbouwt en na een kalm introductiedeel via een dramatische climax naar een harmonieus einde streeft, waarin een zekere hoop op betere tijden doorklinkt.

Zo redt de ongewassen papierpletter Hanta uit de roman Al te luide eenzaamheid de – door het communistische regime verboden – werken van Aristoteles van de vernietiging. Hij begint ze te lezen en ontdekt aldus de schoonheid van de klassieke oudheid. Zijn grootste wens is het nu om een bezoek te brengen aan de geboorteplaats van Aristoteles, waar hij in zijn ondergoed over de atletiekbaan van Olympia wil rennen. Als hij daaraan denkt is hij zelfs bereid zich te wassen, alsof hij daarmee het vuil van het communisme afschudt om eindelijk een vrij en gelukkig mens te zijn.

Net als Hanta heeft Hrabal een tijdje als papierpletter gewerkt, zoals hij ook arbeider is geweest in de staalfabriek Poldi. In de onlangs verschenen bundel De toverfluit zijn twee verhalen opgenomen die zich daar afspelen. In `Jarmilka', geschreven in de jaren vijftig maar pas in 1964 in gekuiste versie voor het eerst gepubliceerd, is de fabriek een microkosmos waarin hel en hemel samenkomen. Rode draad in het verhaal is de mooie fabrieksarbeidster Jarmilka. Ze beklaagt zich tegenover de verteller voortdurend over de `lieve jongen' die haar zwanger heeft gemaakt en niets meer van haar wil weten. Naast die zwangerschap hebben ze het over banalere kwesties, flirten ze wat met elkaar en kankeren ze er vrolijk op los.

Maar achter die eerste laag van het verhaal schuilt een veel groter drama dat niets met Jarmilka te maken heeft. Zo wordt haar gejeremieer almaar onderbroken door de fabrieksarbeider Hannes, die niet ophoudt met het vertellen van zijn gruwelijke belevenissen als gevangene in een nazi-concentratiekamp. Martelingen, executies en brute moord dringen zo het verhaal binnen. De verteller doet daar nog een steentje bij, door op een subtiele wijze de communistische terreur te kritiseren.

Het bijzondere aan dit verhaal is dat Hrabals Nederlandse vertaler Kees Mercks uit drie vroegere versies van `Jarmilka' een oertekst heeft samengesteld, waarin alle wijzigingen van de censuur ongedaan zijn gemaakt. Op die manier is een verhaal ontstaan zoals Hrabal dat waarschijnlijk heeft bedoeld. Mercks moet er bovendien een heidens karwei aan hebben gehad en verdient dan ook alle lof, want het resultaat van zijn inspanningen is indrukwekkend.

De toverfluit is sowieso een bijzonder boek, omdat het door Mercks persoonlijk geselecteerde verhalen bevat die samen een goed overzicht bieden van Hrabals literaire ontwikkeling. Zo is `Beeldschone Poldi', het tweede verhaal uit de bundel, een heuse liefdesverklaring aan het smeltende ijzer, de gloeiende ovens en de zware fysieke arbeid. Poldi was voor Hrabal een paradijs, dat hem in staat stelde te ontvluchten aan het grauwe leven buiten de fabriekspoort.

Van een nog grotere schoonheid is misschien wel het verhaal `Mooipraters'. Het speelt zich af dichtbij een cementfabriek en een militair oefenterrein waar behalve op zondag dagelijks tussen tien en drie uur onophoudelijk granaten ontploffen. Bovendien ligt alles binnen en buiten het huis onder het cementstof. `De zondagen zijn hier zo triest', zegt een van de personages aan het eind van het verhaal. `Dan heerst er zo'n plechtige stilte dat 't pijn aan je oren doet. Dan zetten we de radio aan en speelt Jirka vanaf 's ochtends vroeg op z'n helicoon. Dan zijn we zo blij dat 't nog maar één nachtje slapen is voor onze soldaatjes 'r weer zijn...'

De laatste twee verhalen in de bundel, `De toverfluit' en `De novemberorkaan', dateren uit de dagen rondom de Fluwelen Revolutie van 1989 en zijn literaire egodocumenten of, zoals Hrabal het noemde, literaire journalistiek. In `De toverfluit' beschrijft Hrabal zichzelf als een oude man die het stadium van totale leegte, van `al te luide eenzaamheid', heeft bereikt. Het leven heeft voor hem zijn betekenis verloren nu zijn vrouw is overleden en hij niet meer weet waar hij het zoeken moet. Voortdurend overweegt hij zelfmoord en wil hij van de vijfde verdieping springen van het flatgebouw waarin hij woont. Hij haalt Kafka aan, die ook van een vijfde verdieping heeft willen springen en denkt aan zelfmoordenaars als Seneca en de vader van Schopenhauer. En terwijl die gedachten door hem heen gaan en hem uiteindelijk van die zelfmoord weerhouden, vinden in het centrum van Praag de demonstraties plaats die een paar maanden later het regime ten val zullen brengen.

Hrabal heeft die tijd heel bewust meegemaakt, zoals blijkt uit `De novemberorkaan'. Het is onder meer een eerbetoon aan de ongewapende demonstranten, die doen wat Hrabal zelf nooit heeft gedurfd: actief protesteren tegen de dictatuur. De voornaamste reden voor die opstelling was dat hij nu eenmaal gelezen wilde worden, desnoods in gecensureerde vorm.

De dood kwam voor Hrabal pas acht jaar na de val van het communistische regime, toen hij tijdens het voederen van de duiven uit een raam viel op de vijfde verdieping van een Praags ziekenhuis. Niemand zal ooit weten of het een ongeluk is geweest of zelfmoord. Maar eigenlijk doet dat er niet toe, zolang zijn boeken maar gelezen en uitgegeven worden, zodat je kunt blijven genieten van zijn schitterende stijl, zijn boeiende personages en zijn absurdistische, troostende wereldbeeld.

De toverfluit van Bohumil Hrabal (vert. Kees Mercks, Bert Bakker, 230 blz, eur12,48).

Buitenlandse literatuur