MORMON CITY

Zoals hij daar aan de poort staat van het mediacentrum is hij net een poppetje. Zo'n popmannetje waarmee kinderen die nog net geen puber zijn spelen en gewelddadigheden imiteren. Een poppetje met een boos gezicht in uniform, een poppetje onder een helm met een wapen in zijn hand waarmee hij elk ogenblik kan schieten.

Het levende poppetje is iets ouder dan een puber. Wanneer hij me met dreigende blik aankijkt, vraag ik of hij niet wat vriendelijker kan kijken. Hij duwt zijn helm iets achterover en lacht. Zo goed? Ja, zo is het beter. Op mijn vraag waarom hij zo boos kijkt, zegt hij dat hij de veiligheid moet garanderen. En dat is geen grap. Kom nou, riposteer ik, niemand zal Amerika aanvallen. Het poppetje zegt dat niemand dat zeker weet. Dan vraag ik of hij in mij een potentiële terrorist ziet. Hij lacht en zegt: ja. Waarom dan, omdat ik er niet uitzie als een Amerikaan? Nee, zegt het poppetje, omdat iedereen een potentiële terrorist is. Dus ook Amerikanen? Ja, zegt het poppetje onder de helm. Maar jij houdt toch van Amerikanen? Ja, meer dan wie dan ook, zegt het poppetje terwijl hij zich vermant en zijn geweer stevig vastgrijpt. Dus jij houdt minder van Nederlanders? Jawel, maar ik hou meer van Amerikanen, zegt het popmannetje. Waarom, vraag ik. Omdat zij altijd bereid zijn te vechten om de vrede te bewaren. Jij lijkt een beetje op Bush, zeg ik. Het poppetje in zijn camouflagepak kijkt me aan, springt in de houding, duwt zijn geweer tegen zijn zij en zegt: Thank you, sir!