Live it up, man!

Sommige genieën inspireren hun omgeving zozeer dat ze zelf op de achtergrond raken, of na hun dood in de vergetelheid dreigen te verdwijnen, buiten een kring van pupillen, die zich soms lichtelijk berouwvol afvragen of hun leermeester bij leven wel heeft gekregen wat hem toekwam.

De Amerikaanse striptekenaar, scenarist en satiricus Harvey Kurtzman (1924-1993) was zo'n genie, bewonderd door zijn leerlingen, bekend in kleine kring, maar onbekend bij het grote publiek. De New-Yorker Kurtzman was al halverwege de jaren vijftig hyperactief voor EC Comics, en schreef ten tijde van de Koreaanse oorlog een veelgeprezen serie oorlogsverhalen, Frontline Combat en Two Fisted Tales, die zich onderscheidden door hun humane blik op de gruwelen van oorlog, en hun hoge mate van realisme en feitelijke accuratesse. Ook was hij de geestelijk vader van het later immens populaire weekblad Mad, waarvan hij de formule ontwierp (de parodieën op bekende strip- en filmhelden), waarvoor hij de beste verhalen schreef, en de mooiste covers tekende.

Kurtzman vertrok in 1956 na onenigheid met de uitgever en begon een reeks eigen satirische bladen, Trump, Humbug en Help!, die het ondanks de hoge kwaliteit geen van alle lang uithielden. Pas toen Playboy-magnaat Hugh Hefner hem begin jaren zestig binnenhaalde voor de goed betaalde zedenparodie Little Annie Fanny was zijn kostje weer gekocht. Intussen genoot hij een groeiende reputatie onder progressieve Amerikaanse, en later ook Europese, striptekenaars die voor een volwassen publiek wilden werken en zich onder invloed van de tijdgeest, op de underground stortten.

Kurtzmans werk werd gaandeweg herontdekt door de strip- en kunstwereld, en is heruitgegeven bij kleine, onafhankelijke uitgevers als Kitchen Sink Press – met als hoogtepunten zijn briljante verzameling satires Harvey Kurtzmans Jungle Book en zijn persoonlijke geschiedenis van het beeldverhaal From Aargh! to Zap!. Kurtzman, die zich in zijn laatste levensjaren ook opwierp als criticus van het Amerikaanse uitgeefbedrijf en pleitbezorger van vooruitstrevende Europese strips, overleed in 1993.

Met The Grasshopper and the Ant is nu zijn eerste postume publicatie een feit. Het is een mooie, gebonden (en nogal prijzige) hereditie van Kurtzmans parodie uit Esquire op Aesopus' gelijknamige fabel over de ijverige mier die spaart voor de toekomst, en de sprinkhaan die leeft bij de dag. Kurtzman maakt er een kluchtig verhaal van, vol verwijzingen naar de avant-gardistische hipster cultuur van de late jaren vijftig (de sprinkhaan), en de dwang tot conformisme in suburbia (de mier). De sprinkhaan verdoet zijn tijd met trommelen (`Live it up, man!') en sjansen met een vlinder (`a nouveau buff of the coll-chirping'), terwijl de mier graankorrels verzamelt voor de winter. Als de kou inzet, loopt het slecht af met beiden: de vlinder fladdert naar een betrouwbare burgerlijke partner, en de korrels van de mier blijken stenen.

Het geeft de ironische ambivalentie weer van Kurtzman over zijn leven als suburbane huisvader die als alle anderen het vuilnis op straat zet, maar tegelijk wordt aangetrokken door de schitterwereld van Hollywood en het Playboy Mansion. Belangrijker dan die moraal, is het tekenwerk van Kurtzman – even expressief als sober. Kurtzman was geen perfectionist, maar zijn zeer herkenbare penvoering heeft een vaart en energie die hem ver boven de middenmoot van de stripwereld uittilt, en waarvan de invloed op latere groten als Robert Crumb onmiskenbaar is.

De burgerlijke kant van Kurtzman komt naar voren in zijn melige seksstrip voor Playboy, die liep tot 1988 en waarvan nu een tweede en laatste bundeling is verschenen. Kurtzman schreef tijdgeest-persiflages waarin het leeghoofdige heldinnetje Annie Fanny zich nietsvermoedend stortte in allerlei therapieën, groepsseks, Zen-communes en andere onbesuisde eigenaardigheden van de jaren zestig en zeventig. Het uitbundige schilder- en tekenwerk was van voormalig Mad-collega Will Elder, die in tegenstelling tot Kurtzman leed aan horror vacui en zijn illustraties volpropte met details en gags.

Als tijdsbeeld is Little Annie Fanny soms nog net aardig, maar Kurtzmans humor in het mannenblad is tenenkrommend belegen en seksistisch en komt de kleffe opwinding van de tapkast vrijwel nergens te boven. Eind jaren tachtig was de fut eruit en werd de serie ten grave gedragen. Geen groot verlies voor de liefhebbers van Kurtzman. Deze ceatieve duizendpoot kwam beter uit de verf als hij de sprinkhaan in zichzelf de vrije loop liet dan wanneer, aangespoord door een pleziermagnaat, de mier in hem de overhand kreeg.

Harvey Kurtzman: The Grasshopper and the Ant. Denis Kitchen Publishing, 84 blz. €33,47

Harvey Kurtzman en Will Elder: Little Annie Fanny. 1970-1988. Dark Horse Comics, 240 blz. €33,47

Buitenlandse literatuur