Hufterig triomferen op Vlieland

In 1974 richtte Dirk Ayelt Kooiman de Revisor op. Hij bleef jarenlang redacteur van het destijds toonaangevende blad en hij zit tot op de dag van vandaag in de redactieraad. Toch is zijn imago altijd wat stoffig geweest, veel onduidelijker in elk geval dan dat van andere Revisor-redacteuren uit de begintijd, zoals Nicolaas Matsier of Doeschka Meijsing. Evengoed heeft ook Kooiman boeken geschreven die nog altijd de moeite waard zijn, zoals Een romance (1973), De vertellingen van een verloren dag (1980) en Montyn (1982). Het idee dat hij niet echt, of maar half meedoet aan de hedendaagse literatuur, wordt ook bevorderd door de zichzelf wegcijferende aard van zijn werk. Die komt tot uitdrukking in titels als De grote stilte (1975), Niets gebeurt (1979), De afwezige (1990), of De verdwenen weg (1998).

Stilte, verloren, verdwenen, niets, afwezig. Het zijn sleutelwoorden in Kooimans werk. Een verhalenbundel kan bij hem rustig beginnen met deze laconieke mededeling: `Eigenlijk valt er niets te vertellen' (Souvenirs, 1974). In vraaggesprekken wordt dan nog eens het beeld bevestigd van een schrijver die een niet al te hoge pet op heeft van zichzelf. `Zijn

overbodigheid voelt hij soms schrijvend', heet het wat onthecht in een interview in Elsevier, jaren geleden alweer. `Hij dient tot niets. Hij is uitsluitend omgangsvorm, toeschouwer, luisteraar, overbodig zintuig, spiegel waarin niemand lust heeft te kijken.'

Toch kan Kooiman het blijkbaar niet laten om steeds weer – zij het soms ook met fikse tussenpozen – vorm te geven aan die gevoelens van overbodigheid en nietsnuttigheid. Als hij in de autobiografische verhalenbundel Carrière (1979) uiteenzet hoe zijn verschillende loopbanen (onder anderen als soldaat, handelaar en fabrieksarbeider) mislukten, dan doet hij dat bovendien op een erg geestige manier. Ik vermoed dat lang niet iedereen weet hoe enorm droogkomisch Kooiman kan zijn, al moet men soms wel even de tijd nemen om dat te ontdekken.

Werkvloer

Neem nu zijn nieuwe roman, Victorie, een verrassend opgewekte titel. Het verhaal komt wat traag op gang. We maken kennis met een man van in de veertig, Victor, die de kluts enigszins kwijt is. Na een eigenaardig incident op de werkvloer is hij, op dringend advies van zijn medevennoten, er eens een weekje `helemaal uit'. Het wordt niet duidelijk in welke producten of diensten zijn firma zich heeft gespecialiseerd, maar wel dat Victor lange dagen maakt op kantoor en dat zijn vriendin onder meer om die reden de relatie heeft beëindigd en hem plompverloren met koffer en al op straat heeft gezet.

Bij stukjes en beetjes onthult Kooiman het hoe en wat van zijn hoofdpersoon: een keurig uitziende kantoorman, met een niet zo heel prettige inborst. Op de veerboot naar `het eiland' (Vlieland), waar hij met frisse tegenzin de afgelegen caravan van collega Jansen zal gaan betrekken, zien wij hem half geamuseerd, half argwanend rondspieden.

Aanvankelijk laat Victorie zich aanzien als een ouderwets tobberige Revisor-roman met veel introspectie en minutieuze observatie en weinig daadkracht. Maar al vrij snel sluipt een schalkse ondertoon de onheilszwangere vertelling binnen. Er zal veel misgaan, zoveel is van meet af aan duidelijk. Er gaan zich donkere wolken samenpakken boven het hoofd van de kantoorman. Maar het is ons vergund om te grinniken of zelfs te schateren om zijn gekluns in en bij de strijkijzervormige caravan, om zijn vaste voornemen minder te drinken, om zijn kloeke plan nu eindelijk een stapelbed te timmeren voor zijn kinderen en trouwens ook meer aandacht aan hen te gaan besteden, om zijn vermeende impotentie of om zijn ferme besluit om de natuur te gaan verkennen, `zowel theoretisch als in het veld'.

Het verschil met andere boeken van Kooiman is dat we deze keer niet te maken hebben met een aardige sukkel die het leven niet aankan, maar met een egocentrische hufter die tijdelijk het spoor bijster is. Hij kan er niet over uit dat hij is versmaad. `De bons gekregen', jammert hij. `De deur gewezen. Aan de dijk gezet. Hij was de risee. Hij kon zich nergens meer vertonen.' Als hij zo ongeveer op de bodem van zijn bestaan meent te zijn beland – helemaal alleen in een naargeestige caravan, omringd door lege drankflessen en peuken, met een buil op zijn kop en zijn beste pak geruïneerd door wagensmeer, impotent bovendien, dan krijgt hij een ingeving die hem er weer akelig snel bovenop helpt.

Managerswil

Hij besluit de natuur, waaraan hij zo'n hekel heeft – het lieflijke Vlieland wordt hier zo ongeveer voorgesteld als woeste en ledige oergrond, dat amper te befietsen of te belopen zou zijn – aan zijn managerswil te onderwerpen. Het strand is niet langer het terrein voor even nutteloze als saaie wandelingen, maar wordt zijn werkgebied. In levensgrote letters, opgevuld met strandafval, wil hij het woord `victorie' neerzetten, bij wijze van `land art', om iedereen te laten zien dat hij weer de oude is, iemand die een `target' weet te halen. Omdat hij in tijdnood komt – de klus dient in drie dagen geklaard te worden –, laat hij de laatste twee letters vervallen, zodat er Victor overblijft. Hij is van triomf vervuld als hij zijn naam na dagen van hard werken in het landschap ziet staan. En als hij dan ook nog de vrouw van de slijterij weet te verleiden, te overweldigen eigenlijk meer, dan is hij weer helemaal het heertje en klaar voor zijn terugkeer naar de stad.

Hij kraait victorie, zou je kunnen zeggen. Hij voelt zich een overwinnaar. Maar wij lezers van Kooiman weten wel beter. Hij is een sukkel, net als al die anderen die doelloos op aarde rondlopen, maar hij weet het niet eens. Twee soorten kneuzen lopen er in het werk van Kooiman rond. De ene soort, zelfbewust, maakt grapjes over zichzelf. Om de anderen, Victor onder anderen, mogen wij lachen.

Dirk Ayelt Kooiman: Victorie. De Harmonie, 160 blz. E13,50

Nederlandse literatuur