Gebonden aan de voet

Jan Jansen ziet zijn schoenen niet als kunstwerken: ze zijn om op te lopen. Toch zijn ze nu te zien in het Haags Gemeentemuseum. `Een voet is iets wat je goed in de hand kunt houden'.

Jan Jansen rijdt over de Erasmusbrug in Rotterdam. Hij denkt aan schoenen: hoe een zool de holte tussen hiel en voorvoet overbrugt. Of hij staat met iemand te praten die zegt: ,,Ik wil met vakantie naar de zon.'' Meteen ziet hij dan de schoenen voor zich die die persoon mee op reis zou moeten nemen.

Jan Jansen: ,,Ik associeer alles wat ik zie en hoor met schoenen. Die fascinatie begon al heel jong. Op mijn zesde verjaardag, op 6 mei 1947, deed ik mijn eerste heilige communie. Mijn vader was verkoopleider bij de Nimco kinderschoenenfabriek in Nijmegen en ik herinner me nog precies de communie-schoenen die hij me toen gaf: zwarte lakschoenen voor 's ochtends in de kerk en witte schoenen voor 's avonds. Ik vond die schoenen stijf en lelijk. Ik vroeg aan mijn vader waarom de Nimco ze niet wat lichter en soepeler maakte. Hij zei: `Een kind wordt nu eenmaal met zulke voeten geboren en daar moet gewoon een leest omheen, daar verander je niets aan.'

,,Hij was overigens een aardige, moderne man. Toen ik een jaar of vijftien was, zag ik bij een schoenwinkel in Arnhem moccasins staan die ik zo mooi vond dat ik er niet van kon slapen. Ik vertelde mijn vader dat ik ze graag wilde hebben en hoewel ze heel duur waren heeft hij ze toch voor me gekocht. Hij vond het wel leuk dat ik zo in schoenen was geïnteresseerd. Maar na de middelbare school durfde ik thuis niet te zeggen dat ik schoenontwerper wilde worden, ik was bang dat mijn ouders en ook mijn broers en zusjes me vreselijk zouden uitlachen. En ik had ook geen idee of ik het wel kon. Ik ben daarom eerst in militaire dienst gegaan. In mijn vrije weekeinden werkte ik als zaterdaghulp in een Nijmeegse schoenwinkel. Daar gingen al die schoenen door mijn handen en ik werd steeds nieuwsgieriger hoe ze in elkaar zaten. Zo'n mooie spitse punt, hoe krijg je een recht stuk leer daar rond en strak omheen zonder dat het gaat plooien? Ik kon het niet laten om een paar van die puntschoenen open te snijden om te zien waar het leer bleef. En toen begreep ik min of meer hoe dat gedaan werd.''

Jan Jansen staat op en komt even later terug met een houten leest, een tangetje en een lapje leer. Hij demonstreert hoe het leer om de leest wordt getrokken. ,,Dat heet het zwikken. Daarna komt de zool eronder en gaat het geheel met leest en al in de oven en vervolgens in de ijskast. Als je de leest er dan een dag later uittrekt, blijft de schoen in de vorm. In de fabriek gebeurt dat zwikken machinaal en bij goedkope schoenen wordt de leest er al na een minuut of vijf uitgehaald. Daardoor verliezen zulke schoenen zo snel hun model.''

Ik spreek Jan Jansen boven zijn winkel aan het Amsterdamse Rokin. Hij noemt de ruimte zijn `kantoor', maar daar heeft het weinig van weg. Behalve een lange, vrolijke eettafel staan er twee rijtjes oude bioscoopstoelen en, achter een bont oosters gordijn, een paar vitrines vol schoenen. Van de vele honderden schoenontwerpen die hij sinds 1961 maakte, bewaarde hij steeds één paar. De collectie is niet compleet: zo'n 200 schoenen zijn uitgeleend voor zijn overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Daarbij zijn ook de allereerste schoenen die hij ontwierp en – zoals hij toen nog deed – met de hand uitvoerde: ,,Dat waren schoenen voor mezelf, enkellaarzen van zwart kalfsleer met flappen om de hiel en een punt die omhoog wipt, een eendenbekneus. Over die laarzen ben ik nog steeds tevreden, ze zijn mooi strak.''

Sophia Loren

Na zijn militaire dienst durfde hij eindelijk uit te komen voor zijn beroepskeuze. Hij werd stagiaire bij een Brabantse schoenfabriek en ging 's avonds naar de kunstacademie in Eindhoven – `om te leren tekenen' – en naar de schoenmakersvakschool in Waalwijk. In 1961 besloot hij om bij een schoenatelier in Rome zelf, met de hand, schoenen te leren maken.

Jansen: ,,Ik was die fabriek in Brabant gewend, met zolenpersen, zwik- en hakkenzetmachines. Toen ik voor het eerst binnenkwam in dat atelier in Rome dacht ik: `Verrek, hoe zetten ze hier schoenen in elkaar?' Er stond alleen maar een klein tafeltje met een hamer, spijkers, een paar vijlen en een mes. Dat was alles.'' Hij vertelt dat tussen de houten leesten aan de muur van het atelier ook de leest van Sophia Loren hing. ,,Zij liet daar haar schoenen maken. Ik heb haar eenmaal zien passen. Ik stond op een afstandje, ik mocht er niet dichtbij komen. Ik was heel opgewonden dat ik dat mocht meemaken.''

Na een halfjaar in Rome ging hij terug naar Nederland. Onder de naam Jeannot opende hij in Amsterdam als `haute chaussurier' zijn eigen atelier waar hij schoenen maakte voor klanten als Conny Stuart en Adèle Bloemendaal. Omdat de `haute chaussure' te arbeidsintensief was en nauwelijks loonde, werkte hij ook anoniem als ontwerper voor Dior en voor Franse schoenfabrieken. In 1968 gaf hij zijn atelier op en begon hij een winkel, JaJa. Sindsdien laat hij de collecties die hij elk seizoen ontwerpt industrieel produceren. Zelf maakt hij alleen nog het prototype van elk nieuw ontwerp en ook de leest waarop het geschoeid is. In 1984 verhuisde hij met zijn winkel, die hij nu voluit Jan Jansen noemde, naar het Amsterdamse Rokin. Jansen vindt een eigen winkel `onontbeerlijk voor een schoenen- of kledingontwerper': daar kan hij zich profileren en de nieuwe collecties in hun geheel tonen.

Terwijl we over zijn schoenen praten, komen er, ter illustratie, steeds meer op tafel. Een sensuele, rood-zwarte naaldhak uit 1991 waarvan de hiel gelijkenis toont met een decolleté. Een parmantige, paarse glanspump (1995). Zijn beroemde bamboeschoen (1973): een sandaal die rust op een vederlicht onderstel van rotan en riet. De veel gekopieerde klompschoen, of Woodie uit 1968 waarin hij een houten plateau combineerde met een kleurig leren bovenstuk. Een schijnbaar platte schoen met een vernuftig ingebouwde, onzichtbare sleehak (1981). Een mannenschoen met schuine rits en een ruige, zwart-witte variatie op de Brogue, de klassieke vergietschoen voor heren (1984).

Misschien is het woord schoen wel een beetje te gewoontjes voor de voetsculpturen van Jan Jansen. De catalogus bij de expositie rept van `draagbare objecten', van `asymmetrisch gedrapeerde sandalen', `multifunctionele flappen', `baanbrekende zweefhakken' en `disco-achtige elementen'. Op mijn vraag wat hij daarvan vindt, antwoordt hij met een grijns. Een brede, laconieke en ook wat verlegen grijns die vaker op zijn gezicht verschijnt. Soms haalt hij er licht zijn schouders bij op: zo is het nu eenmaal, ik weet het ook niet. Zelf definieerde hij de schoen eens heel prozaïsch als `een gat om een voet in te steken'. En al spreekt hij bij het vormen van een leest over `beeldhouwen', hij heeft zichzelf nooit als een beeldend kunstenaar gezien: ,,Ik maak geen vrije kunst maar een industrieel product waarop je goed moet kunnen lopen. Ik ben altijd gebonden aan de voet. Als dat niet zo was, zou ik mijn ontwerpen nog veel mooier kunnen maken. Als ik bijvoorbeeld kijk naar schoenfotografen die het beeld digitaal naar hartelust kunnen manipuleren zodat de hak nog vijf centimeter hoger wordt, de punt veel langer – daar ben ik weleens jaloers op, want dat kan ik niet doen. Ik heb me nu eenmaal gecommitteerd aan de voet.''

Die voet, zo blijkt, kan nog net lopen op een naaldhak van negen centimeter hoogte. Bij tien, elf centimeter knikken de knieën naar voren en dan krijg je, zegt Jansen, `zo'n hoerenloopje'. ,,Dat vind ik niet echt elegant.''

Verloofde

Met zijn leren ritsbroek, velourshemd en zwarte, ponyleren veterlaarzen is Jan Jansen een opmerkelijke verschijning. Als tiener hield hij er al van om zich excentriek aan te kleden en in Nijmegen baarde hij opzien met strakke rock'n'roll-broeken, kanariesokken en oorringetjes. In Amsterdam viel hij met zijn kleren minder uit de toon en daarom voelde hij zich daar begin jaren zestig meteen thuis. Maar in het Amsterdamse modewereldje voelde hij zich aanvankelijk minder op zijn gemak: ,,Via Paul Huf leerde ik Dick Holthaus, Max Heymans, Frans Molenaar, Frank Govers en andere modeontwerpers kennen. Ik herinner me dat Dick Holthaus eens bij me langskwam. Ik vertelde hem dat mijn verloofde, Tonny, straks ook zou komen. Hij zei: `Vergis je je niet?' Later dacht ik: `Het wordt niks – als je geen homo bent, bereik je hier niets in de mode'. Uiteindelijk maakte het niet veel uit, maar in het begin was ik toch bang voor dat wereldje.''

Hij vertelt dat hij liever vrouwen- dan mannenschoenen ontwerpt: ,,Bij vrouwen kun je het veel bonter en gekker maken, er zijn meer variaties mogelijk, alleen al in de hakken.'' Hij heeft nooit een bepaald type vrouw voor ogen: ,,Ik maak wat ik zelf mooi vind en ik hoop dat er vrouwen zijn die dat ook vinden. In het begin had ik voornamelijk jonge klanten, nu zijn ze van alle leeftijden. Nee, het zijn niet allemaal extravagante vrouwen en ik heb ook geen chique klantenkring. Vrouwen die kicken op merken als Gucci en Prada, kopen niet bij mij. Ze komen bij mij voor de schoenen, niet voor het merk.

,,Bij freelance-opdrachten voor schoenfabrieken krijg je een doelgroep-profiel: bijvoorbeeld vrouwen tussen de 25 en 40 die bepaalde bladen lezen en een hoog of laag inkomen hebben. Dan moet je je voor gaan stellen wat die vrouwen willen. Zo werk ik niet voor mijn eigen collectie. Ik maak wat me invalt. Mijn ontwerpen ontstaan vaak uit beelden die ik voor me zie. Tijdens een gesprek in de auto denk ik ineens: ik wil die of die hak maken. Vroeger zat ik met een koptelefoon op hele nachten schoenen te tekenen, nu heb ik een schoen in mijn hoofd, maak daar een leest bij en dan een hak. 's Avonds zet ik die hak bovenop de televisie zodat ik hem bij het tv kijken steeds in het oog heb. Ik denk: ik maak hem iets boller, of ronder, of scherper. Maar als ik hem de volgende ochtend toch mooi vind, laat ik hem zo. Dan vraag ik mijn vrouw, Tonny, wat ze ervan vindt. Als zij ja zegt, dan gaat die hak door. Als zij hem niet goed vindt, voelde ik meestal zelf ook al dat er iets niet klopte.''

In 1995 introduceerde hij een variatie op de naaldhak die overal werd nageaapt en nu bij alle schoenwinkels te vinden is: een hoge hak, van opzij heel smal en van achteren breed. Hij toont weer die grijns en zegt: ,,Ik ben wel vaker trendsetter geweest en veel van mijn ontwerpen zijn nagemaakt. Ik heb een profetische blik, ik voel kennelijk aan waar het heengaat met de schoen. Of mensen naald- of blokhakken willen, ronde of puntige neuzen, elegante of sportieve schoenen. In 1989 was ik op de Düsseldorfse schoenenbeurs de enige met hoge plateauzolen, het jaar daarop kwamen ze overal in de mode.''

Eksterogen

Hoewel hij liever over schoenen dan over voeten praat – aan voeten valt niets te veranderen – wil hij wel vertellen wat volgens hem een `mooie voet' is, een vrouwenvoet wel te verstaan: ,,Stevig, niet uitgezakt. Gave tenen die geleidelijk, in een rechte lijn, aflopen van groot naar klein, zonder knobbels of eksterogen en met goed verzorgde nagels.'' Bijna dromerig voegt hij eraan toe: ,,Een voet is iets wat je goed in de hand kunt houden, als je hem vastpakt, past hij daar precies in.''

Maar de voet blijft niet altijd hetzelfde. In de laatste twintig jaar zag hij vooral de vrouwenvoet uitdijen: ,,Dat komt door de sportschoenen. Vroeger hadden Amerikaanse vrouwen veel smallere voeten dan Europese, maar sinds het joggen in Amerika in de mode kwam, is dat veranderd. Als een vrouw de hele dag op sneakers heeft gelopen, moet de pump die ze 's avonds aantrekt veel breder zijn dan vroeger. Een paar jaar geleden kwamen die Portugese schoenen met een rubber zool en gebreid bovenstuk in de mode. Door dat soort schoenen wordt een voet zo verwend dat die zich nauwelijks meer kan voegen naar een pump. Ik ben nog van de tijd: `wie mooi wil zijn moet pijn lijden'. Als een schoen maar mooi was en voor een vrouw betekende dat: smal. Een knellende schoen werd geduldig ingelopen, elke dag een half uurtje. Maar dat is passé, nieuwe schoenen moeten nu meteen goed zitten. Daarom heb ik allerlei trucjes ontwikkeld om leesten zo te vormen dat ze ruim zijn maar slank lijken. Door schuren en plamuren kan ik een leest een smaller silhouet geven, zodat de schoen die ik daarop maak de illusie wekt van een mooie voet.''

In het buitenland krijgt Jansen vaak te horen dat hij een `typisch Nederlandse ontwerper' is. Dat komt, legt hij uit, doordat hij vrijer te werk gaat dan bijvoorbeeld in Frankrijk of Italië mogelijk is. ,,Daar worden de modevoorschriften veel strikter nageleefd. Daar geldt nog steeds: dit seizoen moet het tasje zus zijn en de schoenen zo. Of: grijs is absoluut uit, het is nu bruin. Nederlanders maken er altijd een beetje een ratjetoe van en daardoor hoef je je hier bij het ontwerpen niet zoveel van die dictaten aan te trekken.''

Terwijl we naar de winkel beneden lopen, vertelt hij dat het Haags Gemeentemuseum zonder dat hij het wist in de loop der jaren twaalf paar schoenen van hem heeft aangekocht. Hoe de tentoonstelling er uit zal zien, weet hij nog niet. ,,Swip Stolk gaat het inrichten, dus het zal wel spectaculair worden. Hij heeft ook het nieuwe interieur van mijn winkel ontworpen. Het allermooiste vind ik dat het niet op een schoenwinkel lijkt. Als je die foto's in het schoenenvakblad ziet, dan hebben al die winkels, met hun schoenenplanken langs de wand, hetzelfde saaie interieur.''

In zijn winkel staan de schoenen uitgestald op propellervormige, aluminium consoles tegen een zachtroze muur. Een klant neemt een schoen in haar hand, een spitse, rode pump met een frivole, opkrulbare flap. Ze draait hem om en om en zet hem dan eerbiedig terug. Alsof het een breekbaar kleinood is.

De tentoonstelling `Jan Jansen Meester-schoenontwerper' is van 9 februari t/m 20 mei te zien in het Haags Gemeentemuseum.