`Flaneurs zijn een uitstervend ras'

De Amerikaanse schrijver Edmund White beschreef Parijs, waar hij al twintig jaar woont, door de ogen van een wandelaar. `Als iemand zich universalist noemt, grijp ik naar mijn geweer.'

Veel tijd om te flaneren heeft hij niet, de charmante, praatgrage schrijver van het onlangs verschenen The Flâneur. A stroll through the paradoxes of Paris. De Amerikaanse schrijver Edmund White, in Amsterdam op uitnodiging van het John Adams Institute en Maison Descartes, had graag zijn hart opgehaald aan alles wat de stad aan visuele, onderhoudende elementen te bieden heeft. Zo anders dan Parijs, waar de romanschrijver, essayist en biograaf al bijna twintig jaar woont.

The Flâneur, het eerste boek in de reeks `The writer and the city' van de Londense uitgeverij Bloomsbury, is een prettig leesbaar, persoonlijk essay over Parijs, waarbij je deelgenoot wordt van overpeinzingen en gedachten die bij White opkomen terwijl hij door Parijs wandelt: je ontmoet Louis Sébastien Mercier, Baudelaire, Colette, Proust en Gertrude Stein, maar ook `Voltairiaanse Amerikanen', joodse bankiers, zwarte jazzmusici en homoseksuele schrijvers. Flaneren past eigenlijk niet bij Amerikanen, vindt White, zij leren van jongs af aan dat ze altijd een doel moeten hebben, bij wat dan ook. Zelf snuffelt hij regelmatig in de boekenkraampjes van de bouquinistes langs de Seine. ,,Ik vond er eens een boek uit 1941, getiteld Mon ami Hitler, uitgegeven bij Gallimard', lacht White, ,,ik mag dan graag, de volgende keer, op die uitgeverij, eens vragen waarom dat boek nu niet in de catalogus voorkomt.' Een goede flaneur is iemand die vooral sereen is, zegt White. Het beste voorbeeld is een vijfenzeventigjarige vriend van hem, afkomstig uit een grand bourgeois-familie, die nog geen dag in zijn leven heeft gewerkt. ,,Hij weet alles, leest alles, just for fun. Hij struint wat rond, loopt een antiquariaat binnen, koopt een schilderij of een boek dat hem interessant lijkt. Het is een uitstervend ras.' Toch zou iedereen wat meer moeten flaneren, meent White: creativiteit en indolentie gaan hand in hand. ,,Als je altijd maar haast hebt, krijg je nooit nieuwe gedachten.'

Fijnheid

Toen uitgeverij Bloomsbury hem vroeg een essay over Parijs te schrijven, wist White meteen dat het zou gaan over `het marginale Parijs'. Het motief van de flaneur kwam later. Het was een manier om al die disparate elementen samen te smelten. ,,Walter Benjamin zei dat de echte flaneur geen toerist is, geen buitenlander, maar iemand die in zijn eigen stad geïnteresseerd is. Alle monumenten zal hij links laten liggen. Hem zal de nerf opvallen in de eerste tree van een houten trap. Om dat soort openheid van geest ging het mij, om de fijnheid van het detail.'

Over intellectueel Parijs doet White in zijn boek pittige uitspraken. Saint-Germain is niet langer `Intelligence Central for the whole world', schrijft hij, en een paar bladzijden verder `Paris has become a cultural backwater'. ,,In Parijs zijn er altijd veel intellectuelen geweest', lacht White, ,,het is er gewoon een taakomschrijving. De Engelsen lachen je uit als je zegt dat je een intellectueel bent, dat vinden ze daar verschrikkelijk pretentieus. Parijs is niet meer het kunstzinnige centrum van de wereld, zoals voor de Tweede Wereldoorlog. De schilderkunst bijvoorbeeld is er ronduit saai. Op het gebied van de dans en de opera gaat het goed; gezelschappen als van Maguy Marin en Régine Chopineau mogen er zijn en welke andere stad heeft er nu vijf geweldige operahuizen? Parijs is een goede gastheer voor kunst uit andere landen.' Het intellectuele leven bloeit er nog, vindt White: ,,In Frankrijk staan schrijvers erg in aanzien, je wordt voortdurend overal uitgenodigd en komt in alle soorten milieus terecht. In Londen staat men niet te springen om schrijvers uit te nodigen, dus ontmoeten ze elkaar onderling. In de VS geven ze allemaal les in `creative writing' aan verschillende universiteiten en wonen ze ver van elkaar. Dat is misschien gezond voor de literatuur, maar niet erg leuk voor de schrijvers zelf.'

Wat White in Parijs tegenstaat is de tirannie van wat hij in zijn boek `l'air du temps' noemt, van wat er in de mode is. ,,Het goede daarvan is natuurlijk dat ieder fenomeen in Parijs zijn kans heeft op zijn moment in de zon. Maar iemand die nu als genie op handen wordt gedragen, kan over vijf jaar alweer zijn vergeten. Dat is zo frivool, zo klein, zo wuft. Het idee dat je van een genie genoeg kunt krijgen!'

Briljante man

Zelf besteedde White zeven jaar van zijn leven aan het schrijven van een biografie over de Franse schrijver Jean Genet (1910-1986), over wie hij nog steeds met groot enthousiasme spreekt. ,,Genet is voor mij een van de grootste uitbarstingen van energie en creativiteit uit de hele geschiedenis', zegt White, ,,het was een briljante man, maar ik had geen moeilijker onderwerp kunnen kiezen. Hij schreef geen brieven, dagboeken of memoires, wist niet wie zijn moeder was, groeide op bij een boer in de Morvan, had van jongs af criminele neigingen en de mensen met wie hij omging zaten in de onderwereld. Dat soort mensen sterft jong en dan kun je ze niet vinden. Als je ze toch vindt, kun je ze niet geloven of willen ze niet praten. Het was een ramp. Ik moest om aan informatie te komen echt de CIA-agent uithangen. Ik liet bijvoorbeeld een Amerikaans meisje les nemen bij een Française wier vertrouwen zij moest winnen, zodat ze mij te woord zou willen staan. De gekste dingen. Maar ik wilde een serieuze biografie schrijven.'

Zijn biografie (uit 1994), bekroond met diverse prijzen, combineert in zekere zin de Franse en de Amerikaanse biografietraditie. ,,Fransen zijn goed in het maken van studies over mensen', vindt White, ,,Amerikanen houden van lange, uitputtende biografieën, vol details, waarin je in 1500 bladzijden bijvoorbeeld leest dat iemand op 1 april 1927 geen zin had om te ontbijten. Dat vinden de Fransen absurd. Ik ben, als romanschrijver, vooral ingegaan op zijn werk, zijn romans en zijn toneel, zaken van schrijftechnische aard. Het waren problemen die ik als het ware van binnenuit kende.'

Drie jaar geleden publiceerde White een biografisch essay over Proust, dat aan Amerikaanse universiteiten tot nogal wat discussie leidde. ,,Er is een stroming die geïnteresseerd is in de identiteitspolitiek – feminisme, homoseksualiteit, joden – en een andere die gelooft in universalisme. Als iemand zich universalist noemt, grijp ik naar mijn geweer. Het is een conservatief idee, een instrument om de macht bij de blanke hetero-man te houden. Waarom zou je niet mogen zeggen dat Proust homoseksueel was? Hij was de eerste die in de literatuur het fenomeen van `cruising' beschrijft, het gigolo-systeem en de hele homoseksuele infrastructuur zoals we die nu nog kennen.'

In zekere zin nam White, die sinds 1985 weet dat hij seropositief is, het stokje van Proust over. In zijn romantrilogie, A boy's Own Story, The Beautiful Room is Empty en The Farewell Symphony schetst hij het traject van de homoseksuele man van de jaren zestig tot de jaren tachtig. ,,Eerst onderdrukking, toen bevrijding, daarna verheerlijking, tot het bijna uitsterven van de homoseksuele man door aids in de jaren tachtig. Mijn leven volgt toevallig datzelfde traject. Ja, in die zin kun je zeggen dat ook mijn werk een biografie is, die van de homobeweging.'

Edmund White: `The Flaneur. A stroll through the paradoxes of Paris', Bloomsbury. 211 blz. E16,88

Buitenlandse literatuur